KC21/26-0038
Ongegrond
KC - Merksplas
Klachtencommissie
Voorlopige maatregel
Tucht
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING
Klager dient klacht in tegen een voorlopige maatregel. De directeur besliste om klager in de beveiligde cel te plaatsen en dit op basis van de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid (artikel 145, §1, eerste lid Basiswet). De klachtencommissie meent dat uit de motivering van de voorlopige maatregel voldoende blijkt in welke zin de interne veiligheid ernstig en opzettelijk werd aangetast. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel in het voorliggend dossier wettig, redelijk en billijk was. De klacht is ongegrond.
Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing waarbij hij 9 dagen strafcel kreeg voor de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet).
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Ter tuchtzitting voeren klager en zijn advocaat aan dat er geen psychiatrisch onderzoek werd gevoerd naar de toerekenbaarheid. De advocaat stelt dat er zonder verslag geen tuchtsanctie kan opgelegd worden. Volgens de klachtencommissie brachten klager en zijn advocaat ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. De klachtencommissie wijst erop dat de directie niet verplicht is om voorafgaandelijk advies aan de psychiater te vragen, tenzij de directie over onvoldoende gegevens zou beschikken om de beoordeling inzake de toerekenbaarheid te maken (Communicatie DG EPI van 2 december 2022 “Tuchtprocedure geïnterneerden na arrest Raad van State”). In het voorliggend dossier was dit volgens de klachtencommissie niet het geval en kon de directie voortgaan op de stukken uit het administratief dossier. In het voorliggend dossier motiveert de directie dat ze klager verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten, verwijzend naar het gegeven dat klager het potje uitwerpselen meenam naar de zitting en het zeer gericht naar de directie inzette op het moment dat de sanctie uitgesproken werd. Hieruit besluit ze dat klager doelbewust handelde. De klachtencommissie oordeelt dat de directie in haar motivering terecht verwijst naar het gedrag van klager op het ogenblik van de feiten. De conclusie die de directie daaruit getrokken heeft omtrent de toerekenbaarheid van de feiten gaat de grenzen van de redelijkheid niet te buiten. Volgens de klachtencommissie voldoet de motivering van de toerekenbaarheid van de feiten aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet.
Klager pleegde een inbreuk van de eerste categorie en kreeg de maximumsanctie van 9 dagen strafcel. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en gelet op de aard van de feiten, redelijk.
Klager pleegde de tuchtfeiten ten aanzien van een lid van de directie. Het directielid ten aanzien van wie de tuchtfeiten werden gepleegd betreft een attaché managementondersteuning (A1), terwijl het directielid dat de tuchtbeslissing nam een attaché gevangenisdirecteur junior (A2) is. De klachtencommissie stelt aldus vast dat de specifieke bevoegdheidsregel voor het opleggen van een tuchtsanctie voor feiten gepleegd ten aanzien van een directielid gerespecteerd werd. De klacht is ongegrond.
Klager dient klacht in tegen een voorlopige maatregel. De directeur besliste om klager in de beveiligde cel te plaatsen en dit op basis van de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid (artikel 145, §1, eerste lid Basiswet). De klachtencommissie meent dat uit de motivering van de voorlopige maatregel voldoende blijkt in welke zin de interne veiligheid ernstig en opzettelijk werd aangetast. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel in het voorliggend dossier wettig, redelijk en billijk was. De klacht is ongegrond.
Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing waarbij hij 9 dagen strafcel kreeg voor de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet).
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Ter tuchtzitting voeren klager en zijn advocaat aan dat er geen psychiatrisch onderzoek werd gevoerd naar de toerekenbaarheid. De advocaat stelt dat er zonder verslag geen tuchtsanctie kan opgelegd worden. Volgens de klachtencommissie brachten klager en zijn advocaat ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. De klachtencommissie wijst erop dat de directie niet verplicht is om voorafgaandelijk advies aan de psychiater te vragen, tenzij de directie over onvoldoende gegevens zou beschikken om de beoordeling inzake de toerekenbaarheid te maken (Communicatie DG EPI van 2 december 2022 “Tuchtprocedure geïnterneerden na arrest Raad van State”). In het voorliggend dossier was dit volgens de klachtencommissie niet het geval en kon de directie voortgaan op de stukken uit het administratief dossier. In het voorliggend dossier motiveert de directie dat ze klager verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten, verwijzend naar het gegeven dat klager het potje uitwerpselen meenam naar de zitting en het zeer gericht naar de directie inzette op het moment dat de sanctie uitgesproken werd. Hieruit besluit ze dat klager doelbewust handelde. De klachtencommissie oordeelt dat de directie in haar motivering terecht verwijst naar het gedrag van klager op het ogenblik van de feiten. De conclusie die de directie daaruit getrokken heeft omtrent de toerekenbaarheid van de feiten gaat de grenzen van de redelijkheid niet te buiten. Volgens de klachtencommissie voldoet de motivering van de toerekenbaarheid van de feiten aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet.
Klager pleegde een inbreuk van de eerste categorie en kreeg de maximumsanctie van 9 dagen strafcel. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en gelet op de aard van de feiten, redelijk.
Klager pleegde de tuchtfeiten ten aanzien van een lid van de directie. Het directielid ten aanzien van wie de tuchtfeiten werden gepleegd betreft een attaché managementondersteuning (A1), terwijl het directielid dat de tuchtbeslissing nam een attaché gevangenisdirecteur junior (A2) is. De klachtencommissie stelt aldus vast dat de specifieke bevoegdheidsregel voor het opleggen van een tuchtsanctie voor feiten gepleegd ten aanzien van een directielid gerespecteerd werd. De klacht is ongegrond.