Ga verder naar de inhoud

KC21/26-0061

Ongegrond KC - Merksplas Klachtencommissie Andere beslissing directeur
HYGIËNE - PERSONEEL

Klager beklaagt zich over een weigering van de beambte om hem te laten douchen. Dit betreft een beslissing namens de directeur.

De mogelijkheid die volgens het huishoudelijk reglement voorzien wordt om te douchen op de voorziene uren impliceert volgens de klachtencommissie dat een gedetineerde op dat tijdstip klaar moet staan. Men dient met andere woorden op voorhand naar het toilet te gaan. In het voorliggend dossier stond betrokkene op het ogenblik dat de cel werd geopend om te gaan douchen niet klaar.

Klager vond het voldoende duidelijk dat hij wou gaan douchen, aangezien zijn fles shampoo en handdoek op een stoel klaarlagen. De klachtencommissie stelt vast dat klager zich op een vierpersoonscel bevond. Er kan dan ook bezwaarlijk worden volgehouden dat het loutere gegeven dat er zich een fles shampoo en een handdoek op een stoel bevinden een voldoende duidelijk signaal zijn dat er iemand in de cel wil gaan douchen, ook al staat hij niet klaar om de cel te verlaten op het moment dat de oproep om te gaan douchen gegeven wordt (terwijl hij weet of tenminste had moeten weten dat dit wel zo verwacht wordt).

Uit niets blijkt bovendien dat klager, vooraleer hij naar het toilet ging, aan de beambte heeft gesignaleerd dat hij weliswaar graag wou gaan douchen maar eerst nog (dringend en bij wijze van uitzondering) gebruik moest maken van het toilet. De beambte heeft dan ook terecht de gebruikelijke procedure doorlopen. De deur werd gesloten en de kans om op die dag op dat uur te gaan douchen werd beschouwd als zijnde voorbij.

Klager verklaart overigens zelf dat de beambte pas terugkwam nadat het douchen klaar was. De klachtencommissie acht het begrijpelijk dat er zeker op dat moment niet meer afgeweken werd van de procedure. Dat klager bij vaststelling dat de deur opnieuw gesloten was zijn oproepingslampje aanstak en rustig bleef wachten is volgens de klachtencommissie ook geen element dat de beambte tot een andere beslissing had moeten aanzetten.

Volgens de klachtencommissie was het feit dat klager niet (meer) mocht gaan douchen dan ook vooral te wijten aan zijn eigen gedrag. Klager had meteen naar de douche moeten gaan op het ogenblik dat de deur geopend werd. De klachtencommissie acht het niet aannemelijk dat de beambte door deze beslissing klager heeft willen provoceren om bepaald gedrag te stellen.

Tot slot stelt de klachtencommissie vast dat klager in elk geval de dag voordien nog in staat werd gesteld om te douchen. Bovendien was hij nog steeds in staat zijn lichamelijke hygiëne te verzorgen door zich te wassen aan de wastafel. Klager zijn rechten werden dan ook niet geschonden.

Volgens de klachtencommissie is de weigeringsbeslissing niet strijdig met een wettelijk bepaling en kan ze ook niet onredelijk of onbillijk worden geacht. Om deze redenen is de klacht ongegrond.