Ga verder naar de inhoud

KC21/26-0069

Ongegrond KC - Merksplas Klachtencommissie Voorlopige maatregel Tucht
VM - TUCHT - TOEREKENBAARHEID - BIJSTAND ADVOCAAT

Over de voorlopige maatregel
Klager stelt in zijn klacht dat er geen sprake zou zijn van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. De interne veiligheid is een toestand waarbij in de gevangenis de fysieke integriteit van personen gevrijwaard wordt en waarin roerende of onroerende goederen geen gevaar lopen van wederrechtelijke beschadiging, vernieling of ontvreemding. Uit de motivering van de voorlopige maatregel en het RAD blijkt volgens de klachtencommissie wel degelijk duidelijk dat klager zowel de fysieke integriteit van de beambten heeft aangetast alsook goederen gevaar liepen voor wederrechtelijke beschadiging. Klager heeft immers met een aftrekker het glazen winketraampje kapotgeslagen en tweemaal agressief naar het aangezicht van een beambte met de steel van de aftrekker geslagen. Het feit dat klager nadien vrijwillig de deurbarricade zou hebben opgeheven, doet daar volgens de klachtencommissie geen afbreuk aan.

De klachtencommissie stelt vast dat de artikelen 112 en 113 van de Basiswet enkel voorschrijven dat de gedetineerde zorgvuldig moet worden opgevolgd door een arts, die de gedetineerde regelmatig bezoekt, om zich te vergewissen van zijn toestand. De Basiswet bepaalt hiervoor nergens een termijn van 24 uur, zoals klager stelt. Aangezien de arts dagelijks is langsgekomen en klager de volgende dag heeft bezocht, is de klachtencommissie van oordeel dat voldaan werd aan de vereiste van regelmatige bezoeken.

De klachtencommissie is van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel wettig was. Gelet op de feiten was de plaatsing van klager in de beveiligde cel ook niet onredelijk of onbillijk. De beslissing tot voorlopige maatregel werd voldoende gemotiveerd.

Over de tuchtbeslissing
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens “de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee” en wegens “de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee”.

In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld. Bovendien werd het RAD ook ondertekend door drie getuigen van het personeel. De klachtencommissie is van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Klager geeft immers zelf op de tuchtrechtelijke hoorzitting toe dat hij frustraties had en het kapotgeslagen raampje zijn verantwoordelijkheid is. Daarnaast blijkt, zoals hierboven reeds uiteengezet, dat het gedrag van klager ook een opzettelijke aantasting uitmaakte van de fysieke integriteit van personen uitmaakte gelet op het feit dat hij tweemaal agressief naar het aangezicht van een beambte met de steel van de aftrekker heeft geslagen. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten deze tuchtrechtelijke inbreuken uitmaakten.

Volgens de advocaat van klager zou nergens gemotiveerd zijn waarom klager op het ogenblik van de feiten toerekeningsvatbaar zou moeten worden geacht. De klachtencommissie stelt echter vast dat de directie niet alleen naar het gedrag van klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting verwijst, maar ook uitgebreid uiteenzet waarom klager helder en bewust was op het moment van de feiten en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat uit deze motivering voldoende wel duidelijk blijkt dat klager op het moment van de feiten helder kon redeneren en inderdaad aanvoelde dat zijn gedrag niet wenselijk was. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet aan artikel 144, § 6 en artikel 8 van de Basiswet.