Ga verder naar de inhoud

KC21/26-0111

Ongegrond KC - Merksplas Klachtencommissie Tucht
TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - TOEREKENBAARHEID - GEINTERNEERDE

Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens het bezit van een vermoedelijk verboden substantie. Het tuchtdossier bevat een foto van het bolletje substantie, gewikkeld in een plastic zakje. Verder blijkt dat de politie de substantie heeft meengenomen voor onderzoek. Uit het administratief verslag inzake verdovende middelen blijkt dat de substantie verstopt zat in het pakje tabak en gerold in een sigarettenblaadje. Uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt dat klager tegenover de directie bevestigde dat hij de tabak had gevonden. Deze lag op de grond. De hasj zat gewoon in de tabak. Klager heeft geen tabak en hij werkt in de PMD. Soms gooien mensen hun restjes tabak weg en klager verzamelt die restjes. Klager zou de tabak niet hebben nagekeken. Uit het RAD blijkt duidelijk dat klager bij terugkomst van zijn werk op de PMD-werkplaats in het bezit werd gevonden van een wettelijk verboden substantie, namelijk hasj. Uit het tuchtdossier blijkt dat de drugs in het pakje tabak zaten dat klager bij zich droeg. Klager zijn uitleg is dat hij niet wist dat het pakje tabak drugs bevatte. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting verklaarde klager initieel dat hij de tabak op de grond had gevonden om nadien te verklaren dat hij restjes tabak zoekt tussen het PMD-afval omdat hij zelf geen tabak heeft. Klager spreekt zichzelf dus niet alleen tegen maar zijn verklaring is ook ongeloofwaardig. Het is immers onwaarschijnlijk dat iemand zijn drugs, hetgeen toch gegeerd is in detentie, weggooit bij het vuilnis en dat klager tijdens het doorzoeken van het afval op zoek naar tabak, het pakje tabak niet heeft geopend om te zien of er nog iets in zat. De klachtencommissie besluit daarom dat het bezit van drugs in hoofde van klager terecht bewezen werd verklaard.

De directeur dient vervolgens na te gaan of feiten wel kunnen toegerekend worden aan de gedetineerde. Met andere woorden of hij wel verantwoordelijk geacht kan worden voor de feiten. Deze beoordeling is in het bijzonder van belang in het geval van geïnterneerde personen. Klager verblijft als geïnterneerde persoon in de gevangenis. In het voorliggend dossier blijkt uit de motivering van de tuchtbeslissing dat de directeur van oordeel was dat klager wel degelijk op toerekenbare wijze heeft gehandeld omdat op het ogenblik van de ontdekking het personeel een normale conversatie met woord en wederwoord kon voeren met klager waardoor er geen tekenen waren van een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen ernstig aantastte. De klachtencommissie treedt dit oordeel van de directie bij. De klachtencommissie besluit dat de directeur zijn oordeel over de toerekeningsvatbaarheid van de tuchtinbreuk aan klager correct heeft gemotiveerd in de beslissing.

De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van tien dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie dertig dagen ATV. De tuchtsanctie was bijgevolg wettig en niet onredelijk of onbillijk.

Om deze redenen is de klacht ongegrond. De tuchtbeslissing blijft bestaan.