KC25/24-0022
Gegrond
Onontvankelijk
KC - Oudenaarde
Klachtencommissie
Tucht
Ordemaatregel
ORDEMAATREGEL - TUCHT - BIJSTAND ADVOCAAT
De klacht betreft een tuchtbeslissing van 12/09/2024 en een ordemaatregel van de directie van de gevangenis.
Wat betreft de ordemaatregel:
Klager duidt in zijn klachtenformulier aan dat hij een klacht indient tegen een ordemaatregel. Hij schrijft echter niet op welke ordemaatregel zijn klacht betrekking heeft en ook niet waarover geklaagd
wordt. De directie heeft ook meegedeeld dat er geen ordemaatregel werd genomen t.a.v. klager (niet op 07/09/2024 en ook niet op 14/09/2024). De klacht m.b.t. de ordemaatregel is dan ook niet gericht tegen een beslissing van de directie die t.a.v. klager werd genomen. De klacht is om deze redenen niet-ontvankelijk.
Wat betreft de klacht m.b.t. de tuchtbeslissing:
Op de tuchtrechtelijke hoorzitting van 12/09/2024 werd klager niet bijgestaan door zijn raadsman. Klager stelt in zijn schriftelijke klacht dat hij niet werd bijgestaan door een advocaat, ondanks zijn
vraag hiertoe. Het is de verantwoordelijkheid van de directie om te zorgen dat het recht op bijstand van een advocaat gewaarborgd wordt voor de gedetineerde. Het is aan de directie om zich te
verzekeren van het feit dat een gedetineerde ondubbelzinnig afstand doet van dit fundamenteel bijstandsrecht.
Op de mededeling tot opstart tuchtprocedure werd inderdaad genoteerd dat klager wenste te worden bijgestaan door zijn raadsman. Uit de stukken van het dossier blijkt ook dat deze regelmatig werd
uitgenodigd voor de tuchtrechtelijke hoorzittingen. De raadsman werd een eerste maal correct en tijdig opgeroepen om te verschijnen op de zitting van 10/09/2024. De raadsman heeft hierop niet op gereageerd en kwam ook niet opdagen op de zitting. De tuchtrechtelijke hoorzitting van 10/09/2024 werd dan ook, op vraag van klager, uitgesteld tot de zitting van 12/09/2024. De raadsman van klager werd nogmaals correct en tijdig opgeroepen voor de tuchtrechtelijke hoorzitting van 12/09/2024.
Er is in het dossier echter geen schriftelijk bewijs te vinden van het feit dat klager akkoord was om de tuchtrechtelijke hoorzitting van 12/09/2024 te laten doorgaan zonder advocaat. Dit werd niet
genoteerd in het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting. Dat verslag maakt enkel melding van het feit dat klager niet werd bijgestaan door een advocaat.
Noch uit het verslag van de tweede tuchtrechtelijke hoorzitting van 12/09/2024, noch uit enig ander stuk van het dossier blijkt dat klager op die hoorzitting uitdrukkelijk en ondubbelzinnig afstand heeft
gedaan van zijn van bij de aanvang van de tuchtprocedure ingeroepen bijstandsrecht. De directie stelt in haar verweer dat zij “beslist” heeft om de hoorzitting op 12/09/2024 te laten doorgaan omdat
“de tuchtprocedure moet worden afgerond binnen een wettelijke termijn” en omdat “de zitting reeds werd uitgesteld”. Uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt niet dat deze redenen van
deze beslissing aan klager werden meegedeeld bij de aanvang van de hoorzitting. Artikel 144, § 5, eerste lid, van de Basiswet bepaalt dat de directeur de gedetineerde hoort in zijn middelen van verdediging binnen zeven dagen na mededeling overeenkomstig artikel 144, § 3, eerste lid, van dezelfde wet, van het opstarten van de tuchtprocedure. Gelet op het feit dat deze mededeling aan de gedetineerde is gedaan op 07/09/2024, kan het verweer thans van de directie de negatie van het fundamentele bijstandsrecht van klager op de hoorzitting van 12/09/2024 niet verantwoorden in de voormelde omstandigheden.
De klachtencommissie is bijgevolg de mening toegedaan dat het recht op bijstand van een advocaat in deze tuchtprocedure werd geschonden. Om deze redenen is de klacht tegen de tuchtbeslissing van 12/09/2024 gegrond.
De klacht betreft een tuchtbeslissing van 12/09/2024 en een ordemaatregel van de directie van de gevangenis.
Wat betreft de ordemaatregel:
Klager duidt in zijn klachtenformulier aan dat hij een klacht indient tegen een ordemaatregel. Hij schrijft echter niet op welke ordemaatregel zijn klacht betrekking heeft en ook niet waarover geklaagd
wordt. De directie heeft ook meegedeeld dat er geen ordemaatregel werd genomen t.a.v. klager (niet op 07/09/2024 en ook niet op 14/09/2024). De klacht m.b.t. de ordemaatregel is dan ook niet gericht tegen een beslissing van de directie die t.a.v. klager werd genomen. De klacht is om deze redenen niet-ontvankelijk.
Wat betreft de klacht m.b.t. de tuchtbeslissing:
Op de tuchtrechtelijke hoorzitting van 12/09/2024 werd klager niet bijgestaan door zijn raadsman. Klager stelt in zijn schriftelijke klacht dat hij niet werd bijgestaan door een advocaat, ondanks zijn
vraag hiertoe. Het is de verantwoordelijkheid van de directie om te zorgen dat het recht op bijstand van een advocaat gewaarborgd wordt voor de gedetineerde. Het is aan de directie om zich te
verzekeren van het feit dat een gedetineerde ondubbelzinnig afstand doet van dit fundamenteel bijstandsrecht.
Op de mededeling tot opstart tuchtprocedure werd inderdaad genoteerd dat klager wenste te worden bijgestaan door zijn raadsman. Uit de stukken van het dossier blijkt ook dat deze regelmatig werd
uitgenodigd voor de tuchtrechtelijke hoorzittingen. De raadsman werd een eerste maal correct en tijdig opgeroepen om te verschijnen op de zitting van 10/09/2024. De raadsman heeft hierop niet op gereageerd en kwam ook niet opdagen op de zitting. De tuchtrechtelijke hoorzitting van 10/09/2024 werd dan ook, op vraag van klager, uitgesteld tot de zitting van 12/09/2024. De raadsman van klager werd nogmaals correct en tijdig opgeroepen voor de tuchtrechtelijke hoorzitting van 12/09/2024.
Er is in het dossier echter geen schriftelijk bewijs te vinden van het feit dat klager akkoord was om de tuchtrechtelijke hoorzitting van 12/09/2024 te laten doorgaan zonder advocaat. Dit werd niet
genoteerd in het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting. Dat verslag maakt enkel melding van het feit dat klager niet werd bijgestaan door een advocaat.
Noch uit het verslag van de tweede tuchtrechtelijke hoorzitting van 12/09/2024, noch uit enig ander stuk van het dossier blijkt dat klager op die hoorzitting uitdrukkelijk en ondubbelzinnig afstand heeft
gedaan van zijn van bij de aanvang van de tuchtprocedure ingeroepen bijstandsrecht. De directie stelt in haar verweer dat zij “beslist” heeft om de hoorzitting op 12/09/2024 te laten doorgaan omdat
“de tuchtprocedure moet worden afgerond binnen een wettelijke termijn” en omdat “de zitting reeds werd uitgesteld”. Uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt niet dat deze redenen van
deze beslissing aan klager werden meegedeeld bij de aanvang van de hoorzitting. Artikel 144, § 5, eerste lid, van de Basiswet bepaalt dat de directeur de gedetineerde hoort in zijn middelen van verdediging binnen zeven dagen na mededeling overeenkomstig artikel 144, § 3, eerste lid, van dezelfde wet, van het opstarten van de tuchtprocedure. Gelet op het feit dat deze mededeling aan de gedetineerde is gedaan op 07/09/2024, kan het verweer thans van de directie de negatie van het fundamentele bijstandsrecht van klager op de hoorzitting van 12/09/2024 niet verantwoorden in de voormelde omstandigheden.
De klachtencommissie is bijgevolg de mening toegedaan dat het recht op bijstand van een advocaat in deze tuchtprocedure werd geschonden. Om deze redenen is de klacht tegen de tuchtbeslissing van 12/09/2024 gegrond.