KC25/25-0015
Gegrond
KC - Oudenaarde
Klachtencommissie
Voorlopige maatregel
Tucht
TUCHT - VOORLOPIGE MAATREGEL
De niet gedateerde schriftelijke verklaring van de Pba die het slachtoffer op de grond in de keuken heeft zien “zitten” en enkel meende te hebben “verstaan” dat laatgenoemde “afgetroefd was geweest door klager zijn buurman en iemand die véél aan luchtboxen doet”. Hieruit zou moeten blijken dat klager de persoon is die veel aan luchtboxen doet maar er wordt niet verduidelijkt hoe men de link legt tussen de beschrijving en klager.
Het slachtoffer verklaarde “Even later kwamen die twee binnen, die twee die altijd aan het boksen zijn, zij hebben me geslagen. Ik weet niet waarom.”. Volgens de directie kan ook hieruit afgeleid worden dat klager aangeduid wordt als klager. Ook hier is klager niet bij naam genoemd en is de beschrijving van de dader te algemeen om na te gaan of het slachtoffer klager aanduidt.
Uit het bijkomend stuk blijkt dat het slachtoffer een dikke arm had maar werd dit enkel bevestigd door een beambte. Er is niet verduidelijkt dat de letsels te wijten zijn aan slagen.
De camerabeelden zijn bekeken maar werden niet uitvoerig beschreven in de motivering van de tuchtbeslissing. Het is dan ook onduidelijk welke elementen de directie in rekening nam om de inbreuken ten aanzien van klager te weerhouden.
De klachtencommissie oordeelt dat het onderzoek naar de feiten onzorgvuldig gevoerd is. Zij kan nergens een directe link vaststellen tussen klager en de feiten. De opgesomde zaken geven dan wel informatie met betrekking met de daders maar nergens wordt concreet gemaakt waarom klager een van de daders zou zijn.
De klacht is gegrond.
De niet gedateerde schriftelijke verklaring van de Pba die het slachtoffer op de grond in de keuken heeft zien “zitten” en enkel meende te hebben “verstaan” dat laatgenoemde “afgetroefd was geweest door klager zijn buurman en iemand die véél aan luchtboxen doet”. Hieruit zou moeten blijken dat klager de persoon is die veel aan luchtboxen doet maar er wordt niet verduidelijkt hoe men de link legt tussen de beschrijving en klager.
Het slachtoffer verklaarde “Even later kwamen die twee binnen, die twee die altijd aan het boksen zijn, zij hebben me geslagen. Ik weet niet waarom.”. Volgens de directie kan ook hieruit afgeleid worden dat klager aangeduid wordt als klager. Ook hier is klager niet bij naam genoemd en is de beschrijving van de dader te algemeen om na te gaan of het slachtoffer klager aanduidt.
Uit het bijkomend stuk blijkt dat het slachtoffer een dikke arm had maar werd dit enkel bevestigd door een beambte. Er is niet verduidelijkt dat de letsels te wijten zijn aan slagen.
De camerabeelden zijn bekeken maar werden niet uitvoerig beschreven in de motivering van de tuchtbeslissing. Het is dan ook onduidelijk welke elementen de directie in rekening nam om de inbreuken ten aanzien van klager te weerhouden.
De klachtencommissie oordeelt dat het onderzoek naar de feiten onzorgvuldig gevoerd is. Zij kan nergens een directe link vaststellen tussen klager en de feiten. De opgesomde zaken geven dan wel informatie met betrekking met de daders maar nergens wordt concreet gemaakt waarom klager een van de daders zou zijn.
De klacht is gegrond.