TUCHT
De klacht gaat over een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Oudenaarde.
De klachtencommissie stelt vast dat in de tuchtbeslissing bepaald dat de tuchtsanctie pas ingaat vanaf 11 maart 2026 om 17u30. Uit het tuchtregister van klager blijkt dat hij op het moment van de feiten en het nemen van de tuchtbeslissing reeds onder ATV stond door een tuchtbeslissing van 10 februari 2026 waarbij hij 30 dagen ATV heeft opgelegd kreeg. De tuchtsanctie werd uitgevoerd van 8 februari 2026 om 17u30 tot en met 10 maart 2026 om 17u30.
Voor 18 juni 2024 werd aanvaard dat een verlenging van een lopende ATV-sanctie omwille van een nieuwe tuchtinbreuk die gepleegd werd tijdens de ATV-sanctie, wettig was zolang de duurtijd van de totale ATV-sanctie de dertig dagen niet overschreed. In een arrest van 18 juni 2024 heeft de Raad van State artikel 142 van de Basiswet verduidelijkt. De Raad van State is van oordeel dat elke verlenging van een lopende ATV-sanctie ten gevolge van een tijdens deze ATV-sanctie gepleegde inbreuk, onwettig is behalve wanneer de nieuwe tuchtinbreuk een zware aanslag op de fysieke integriteit uitmaakte. In dat geval mag de sanctie wél verlengd worden en dit tot maximum 45 dagen. Deze verduidelijking werd door DG EPI aan de gevangenissen meegedeeld in een mededeling van 6 september 2024.
In navolging van dit arrest ontstond in sommige gevangenissen de werkwijze om een nieuwe ATV-sanctie op te leggen omwille van een tuchtinbreuk die gepleegd werd tijdens een lopende ATV-sanctie na afloop van de eerste periode van ATV en met een periode van regulier regime tussen de twee sancties van bijvoorbeeld 24 uur. Van een verlenging van een ATV-sanctie was strikt genomen dan geen sprake. Deze werkwijze werd door meerdere klachtencommissies aanvaard.
In een beslissing van de Nederlandstalige Beroepscommissie van 18 december 2025 wordt echter gesteld “dat de ‘techniek’ waarvan sprake niet meer is dan een kunstgreep die juist flagrant ingaat tegen de bedoeling van de wetgever om de ingrijpende sanctie van afzondering op beperkte wijze en omzichtig toe te passen. Het artikel 142 van de basiswet wordt op deze manier zinledig gemaakt, aangezien het wordt omzeild door de ATV-sanctie op gekunstelde wijze met uitstel op te leggen.”
Het huidige artikel 142 van de Basiswet, in werking getreden op 26 februari 2026 en dus van kracht op het moment van het plegen van de feiten van 26 februari 2026 en het nemen van de tuchtbeslissing op 27 februari 2026, bepaalt het volgende: “Indien, tijdens zijn periode van afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte, de gedetineerde een nieuwe tuchtrechtelijke inbreuk pleegt, kan deze afzondering verlengd worden, op basis van een beslissing die genomen wordt overeenkomstig de in hoofdstuk V bepaalde procedure. De afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte kan als gevolg van deze opeenvolgende beslissingen enkel de dertig dagen overschrijden in geval van een zware aanslag op de fysieke integriteit van een persoon. In geen geval kan de afzondering vijfenveertig dagen overschrijden.”
In voorliggend dossier heeft klager tijdens zijn periode van afzondering nieuwe tuchtinbreuken gepleegd. De eerste periode van afzondering duurde 30 dagen. De directie besloot om 10 dagen ATV op te leggen naar aanleiding van de nieuwe inbreuken. Deze sanctie gaat in 24 uur na afloop van de vorige ATV-sanctie. Er is in dit geval geen sprake van een zware aanslag op de fysieke integriteit van een persoon.
De klachtencommissie besluit daarom dat de opgelegde tuchtsanctie van 10 dagen ATV hoe dan ook, zowel onder de oude als de nieuwe wetgeving, een onwettige verlenging is van de ATV-sanctie die op 10 februari 2026 werd opgelegd.
Om bovenstaande redenen is de klacht gegrond.
De klacht gaat over een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Oudenaarde.
De klachtencommissie stelt vast dat in de tuchtbeslissing bepaald dat de tuchtsanctie pas ingaat vanaf 11 maart 2026 om 17u30. Uit het tuchtregister van klager blijkt dat hij op het moment van de feiten en het nemen van de tuchtbeslissing reeds onder ATV stond door een tuchtbeslissing van 10 februari 2026 waarbij hij 30 dagen ATV heeft opgelegd kreeg. De tuchtsanctie werd uitgevoerd van 8 februari 2026 om 17u30 tot en met 10 maart 2026 om 17u30.
Voor 18 juni 2024 werd aanvaard dat een verlenging van een lopende ATV-sanctie omwille van een nieuwe tuchtinbreuk die gepleegd werd tijdens de ATV-sanctie, wettig was zolang de duurtijd van de totale ATV-sanctie de dertig dagen niet overschreed. In een arrest van 18 juni 2024 heeft de Raad van State artikel 142 van de Basiswet verduidelijkt. De Raad van State is van oordeel dat elke verlenging van een lopende ATV-sanctie ten gevolge van een tijdens deze ATV-sanctie gepleegde inbreuk, onwettig is behalve wanneer de nieuwe tuchtinbreuk een zware aanslag op de fysieke integriteit uitmaakte. In dat geval mag de sanctie wél verlengd worden en dit tot maximum 45 dagen. Deze verduidelijking werd door DG EPI aan de gevangenissen meegedeeld in een mededeling van 6 september 2024.
In navolging van dit arrest ontstond in sommige gevangenissen de werkwijze om een nieuwe ATV-sanctie op te leggen omwille van een tuchtinbreuk die gepleegd werd tijdens een lopende ATV-sanctie na afloop van de eerste periode van ATV en met een periode van regulier regime tussen de twee sancties van bijvoorbeeld 24 uur. Van een verlenging van een ATV-sanctie was strikt genomen dan geen sprake. Deze werkwijze werd door meerdere klachtencommissies aanvaard.
In een beslissing van de Nederlandstalige Beroepscommissie van 18 december 2025 wordt echter gesteld “dat de ‘techniek’ waarvan sprake niet meer is dan een kunstgreep die juist flagrant ingaat tegen de bedoeling van de wetgever om de ingrijpende sanctie van afzondering op beperkte wijze en omzichtig toe te passen. Het artikel 142 van de basiswet wordt op deze manier zinledig gemaakt, aangezien het wordt omzeild door de ATV-sanctie op gekunstelde wijze met uitstel op te leggen.”
Het huidige artikel 142 van de Basiswet, in werking getreden op 26 februari 2026 en dus van kracht op het moment van het plegen van de feiten van 26 februari 2026 en het nemen van de tuchtbeslissing op 27 februari 2026, bepaalt het volgende: “Indien, tijdens zijn periode van afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte, de gedetineerde een nieuwe tuchtrechtelijke inbreuk pleegt, kan deze afzondering verlengd worden, op basis van een beslissing die genomen wordt overeenkomstig de in hoofdstuk V bepaalde procedure. De afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte kan als gevolg van deze opeenvolgende beslissingen enkel de dertig dagen overschrijden in geval van een zware aanslag op de fysieke integriteit van een persoon. In geen geval kan de afzondering vijfenveertig dagen overschrijden.”
In voorliggend dossier heeft klager tijdens zijn periode van afzondering nieuwe tuchtinbreuken gepleegd. De eerste periode van afzondering duurde 30 dagen. De directie besloot om 10 dagen ATV op te leggen naar aanleiding van de nieuwe inbreuken. Deze sanctie gaat in 24 uur na afloop van de vorige ATV-sanctie. Er is in dit geval geen sprake van een zware aanslag op de fysieke integriteit van een persoon.
De klachtencommissie besluit daarom dat de opgelegde tuchtsanctie van 10 dagen ATV hoe dan ook, zowel onder de oude als de nieuwe wetgeving, een onwettige verlenging is van de ATV-sanctie die op 10 februari 2026 werd opgelegd.
Om bovenstaande redenen is de klacht gegrond.