VOORLOPIGE MAATREGEL - MOTIVERING
In het RAD van 23 februari 2022 wordt gesproken van een dreigende houding ten aanzien van een personeelslid, die daarop veiligheidstechnieken moest gebruiken om klager terug naar zijn cel te begeleiden. Het meldingsverslag van 22 februari 2022 beschrijft hoe klager mondelinge bedreigingen uit ten aanzien van het personeel. Uit deze gegevens blijkt volgens de Klachtencommissie dat er inderdaad sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid die het opleggen van een voorlopige maatregel kan rechtvaardigen. De beslissing is echter gebrekkig op de volgende twee punten:
(1) Een voorlopige maatregel mag enkel ingezet worden in afwachting van een eventuele tuchtprocedure, niet voorafgaand aan een bijzondere veiligheidsmaatregel. De Klachtencommissie steunt deze visie op de volgende elementen: de formulering “in afwachting van de tuchtprocedure” in artikel 145 van de Basiswet; de plaatsing van artikel 145 van de Basiswet onder “Hoofdstuk V – De tuchtprocedure” en de mogelijkheid in artikel 110 §3 van de Basiswet om bij hoogdringendheid een bijzondere veiligheidsmaatregel op te leggen, zodat in de gevallen waarin een tuchtprocedure niet de te volgen weg is maar er toch snel ingegrepen moet worden, het niet nodig is om gebruik te maken van een voorlopige maatregel. In casu werd er een voorlopige maatregel opgelegd, maar werd er nadien géén tuchtprocedure opgestart. De Collectieve Brief nr. 124 van 6 september 2013 betreffende het tuchtregime van gedetineerden (pagina 15) stelt: “Het uitzonderlijke karakter van de voorlopige maatregel rechtvaardigt een verkorting van de van toepassing zijnde termijnen. De beslissing tot het al dan niet opstarten van een tuchtprocedure dient genomen te worden binnen 24 uur volgend op het nemen van de voorlopige maatregel.” De directie had de voorlopige maatregel moeten beëindigen van zodra duidelijk was dat ze géén tuchtprocedure wou opstarten. Hier werd de maatregel van 72u echter volledig uitgevoerd.
(2) De beslissing tot het nemen van een voorlopige maatregel moet ook worden gemotiveerd. Alle beslissingen die in het kader van de Basiswet worden genomen moeten met redenen omkleed zijn (artikel 8 van de Basiswet). Deze formele motiveringsplicht verplicht de directie in de motivering de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op afdoende wijze. De beslissing van 23 februari 2022 werd op geen enkele wijze gemotiveerd. Er werd enkel verwezen naar het RAD van 23 februari 2022. De beslissing voldoet daardoor niet aan de vereisten van artikel 145 j° artikel 8 van de Basiswet.
De klacht is gegrond. De voorlopige maatregel wordt vernietigd.
In het RAD van 23 februari 2022 wordt gesproken van een dreigende houding ten aanzien van een personeelslid, die daarop veiligheidstechnieken moest gebruiken om klager terug naar zijn cel te begeleiden. Het meldingsverslag van 22 februari 2022 beschrijft hoe klager mondelinge bedreigingen uit ten aanzien van het personeel. Uit deze gegevens blijkt volgens de Klachtencommissie dat er inderdaad sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid die het opleggen van een voorlopige maatregel kan rechtvaardigen. De beslissing is echter gebrekkig op de volgende twee punten:
(1) Een voorlopige maatregel mag enkel ingezet worden in afwachting van een eventuele tuchtprocedure, niet voorafgaand aan een bijzondere veiligheidsmaatregel. De Klachtencommissie steunt deze visie op de volgende elementen: de formulering “in afwachting van de tuchtprocedure” in artikel 145 van de Basiswet; de plaatsing van artikel 145 van de Basiswet onder “Hoofdstuk V – De tuchtprocedure” en de mogelijkheid in artikel 110 §3 van de Basiswet om bij hoogdringendheid een bijzondere veiligheidsmaatregel op te leggen, zodat in de gevallen waarin een tuchtprocedure niet de te volgen weg is maar er toch snel ingegrepen moet worden, het niet nodig is om gebruik te maken van een voorlopige maatregel. In casu werd er een voorlopige maatregel opgelegd, maar werd er nadien géén tuchtprocedure opgestart. De Collectieve Brief nr. 124 van 6 september 2013 betreffende het tuchtregime van gedetineerden (pagina 15) stelt: “Het uitzonderlijke karakter van de voorlopige maatregel rechtvaardigt een verkorting van de van toepassing zijnde termijnen. De beslissing tot het al dan niet opstarten van een tuchtprocedure dient genomen te worden binnen 24 uur volgend op het nemen van de voorlopige maatregel.” De directie had de voorlopige maatregel moeten beëindigen van zodra duidelijk was dat ze géén tuchtprocedure wou opstarten. Hier werd de maatregel van 72u echter volledig uitgevoerd.
(2) De beslissing tot het nemen van een voorlopige maatregel moet ook worden gemotiveerd. Alle beslissingen die in het kader van de Basiswet worden genomen moeten met redenen omkleed zijn (artikel 8 van de Basiswet). Deze formele motiveringsplicht verplicht de directie in de motivering de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op afdoende wijze. De beslissing van 23 februari 2022 werd op geen enkele wijze gemotiveerd. Er werd enkel verwezen naar het RAD van 23 februari 2022. De beslissing voldoet daardoor niet aan de vereisten van artikel 145 j° artikel 8 van de Basiswet.
De klacht is gegrond. De voorlopige maatregel wordt vernietigd.