KC32/22-0102
Ongegrond
Gegrond
KC - Turnhout
Klachtencommissie
Voorlopige maatregel
Tucht
VOORLOPIGE MAATREGEL - MOTIVERING - TUCHT - SANCTIE
In het voorliggend dossier werd zowel artikel 145 §1, eerste lid Basiswet (opzettelijke aantasting van de interne veiligheid) als artikel 145 §1, tweede lid Basiswet (gevaar voor de orde of de veiligheid) ingevuld. Enkel bij de eerste rechtsgrond werden de feiten aangehaald: “RAD: roze tabletten + los scheermesje gevonden.” Bij de tweede rechtsgrond werd er niets ingevuld. In welke zin de feiten een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid dan wel een gevaar voor de orde of veiligheid uitmaken werd voor geen van beide rechtsgronden gemotiveerd. De beslissing is strijdig met artikel 145 §1 j° artikel 8 Basiswet. Bovendien gebeurde de ondertekening van de voorlopige maatregel ook niet conform de instructies van CB 124 van 6 september 2013 betreffende het tuchtregime van gedetineerden. De klachtencommissies stelt zich tot slot ook de vraag of het de directie was die overging tot het nemen van de voorlopige maatregel of dat deze door het personeel werd opgelegd, nu de directie pas op 14 september 2022 kennisnam van het RAD. De klachtencommissie wijst erop dat het personeel enkel voorlopige bijzondere veiligheidsmaatregelen kan opleggen in situaties van gevaar die geen uitstel dulden, en dit in het kader van artikel 110 Basiswet (bijzondere veiligheidsmaatregelen, BVM). Deze mogelijkheid is niet voorzien in het kader van artikel 145 (voorlopige maatregel voorafgaand aan een tuchtprocedure). De passage uit de CB 124 die hierover iets anders voorziet, is volgens de klachtencommissie in strijd met de Basiswet. De klacht is gegrond.
De klachtencommissie vindt het redelijk dat de directie de vaststellingen uit dit RAD kwalificeerde als zijnde het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° van de Basiswet) en deze feiten aan klager toerekende. Klager gaf ter tuchtzitting aan op de hoogte te zijn van de pillen. Dat de directie de verklaring dat deze grote hoeveelheid verboden substanties door iemand anders in de cel achtergelaten werd ongeloofwaardig acht, vindt de klachtencommissie redelijk. De motivering van de inbreuk voldoet aan de vereisten van artikel 8 Basiswet. Klager kreeg 30 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en gelet op de aard van de inbreuk, redelijk. Dat er geen of een andere sanctie werd opgelegd ten aanzien van de medegedetineerde/celgenoot doet volgens de klachtencommissie geen afbreuk aan de redelijkheid van de beslissing ten aanzien van klager. De redenen die de directie had om ten aanzien van de medegedetineerde geen of een andere tuchtsanctie op te leggen zijn eigen aan de beslissing ten aanzien van die medegedetineerde en liggen niet voor aan de toetsing van de klachtencommissie. De klacht is ongegrond.
In het voorliggend dossier werd zowel artikel 145 §1, eerste lid Basiswet (opzettelijke aantasting van de interne veiligheid) als artikel 145 §1, tweede lid Basiswet (gevaar voor de orde of de veiligheid) ingevuld. Enkel bij de eerste rechtsgrond werden de feiten aangehaald: “RAD: roze tabletten + los scheermesje gevonden.” Bij de tweede rechtsgrond werd er niets ingevuld. In welke zin de feiten een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid dan wel een gevaar voor de orde of veiligheid uitmaken werd voor geen van beide rechtsgronden gemotiveerd. De beslissing is strijdig met artikel 145 §1 j° artikel 8 Basiswet. Bovendien gebeurde de ondertekening van de voorlopige maatregel ook niet conform de instructies van CB 124 van 6 september 2013 betreffende het tuchtregime van gedetineerden. De klachtencommissies stelt zich tot slot ook de vraag of het de directie was die overging tot het nemen van de voorlopige maatregel of dat deze door het personeel werd opgelegd, nu de directie pas op 14 september 2022 kennisnam van het RAD. De klachtencommissie wijst erop dat het personeel enkel voorlopige bijzondere veiligheidsmaatregelen kan opleggen in situaties van gevaar die geen uitstel dulden, en dit in het kader van artikel 110 Basiswet (bijzondere veiligheidsmaatregelen, BVM). Deze mogelijkheid is niet voorzien in het kader van artikel 145 (voorlopige maatregel voorafgaand aan een tuchtprocedure). De passage uit de CB 124 die hierover iets anders voorziet, is volgens de klachtencommissie in strijd met de Basiswet. De klacht is gegrond.
De klachtencommissie vindt het redelijk dat de directie de vaststellingen uit dit RAD kwalificeerde als zijnde het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° van de Basiswet) en deze feiten aan klager toerekende. Klager gaf ter tuchtzitting aan op de hoogte te zijn van de pillen. Dat de directie de verklaring dat deze grote hoeveelheid verboden substanties door iemand anders in de cel achtergelaten werd ongeloofwaardig acht, vindt de klachtencommissie redelijk. De motivering van de inbreuk voldoet aan de vereisten van artikel 8 Basiswet. Klager kreeg 30 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en gelet op de aard van de inbreuk, redelijk. Dat er geen of een andere sanctie werd opgelegd ten aanzien van de medegedetineerde/celgenoot doet volgens de klachtencommissie geen afbreuk aan de redelijkheid van de beslissing ten aanzien van klager. De redenen die de directie had om ten aanzien van de medegedetineerde geen of een andere tuchtsanctie op te leggen zijn eigen aan de beslissing ten aanzien van die medegedetineerde en liggen niet voor aan de toetsing van de klachtencommissie. De klacht is ongegrond.