TUCHT - VERBODEN VOORWERPEN - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING
In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de twee RAD’s van 3 oktober 2022 die op gedetailleerde wijze de vaststellingen omtrent het binnenhalen evenals de aangetroffen voorwerpen omschrijven. Klager en zijn advocaat voeren ter tuchtzitting aan dat klager op zijn bed lag op het moment dat de penitentiaire beambte ter plaatse kwam kijken. Dit werd ook opgenomen in het RAD. In zijn klacht voert klager aan dat hij sliep op het moment van de feiten en verwijst hiervoor eveneens naar het RAD. De klachtencommissie wijst erop dat het feit dat in het RAD geschreven wordt dat klager op zijn bed lag nog niet wil zeggen dat hij ook daadwerkelijk sliep en evenmin bewijst dat klager niets van de feiten afwist. Met name de omvang van de feiten is voor de directie doorslaggevend geweest om te oordelen dat klager wel degelijk betrokken was bij de operatie. Gelet op de omvang van de aangetroffen voorwerpen en het verloop van de operatie acht de klachtencommissie het redelijk dat de directie geen geloof hechtte aan de uitleg van klager.
Daarnaast heeft de directie zich bij het nemen van de tuchtbeslissing ook gebaseerd op feiten uit het verleden. Hoewel tuchtinbreuken uit het verleden op zichzelf niet als voldoende bewijs kunnen gelden, kunnen zij volgens de klachtencommissie in het voorliggend dossier wel gelden als ondersteunend element voor de redenering van de directie en met name staven waarom de directie geen geloof hecht aan de verklaringen van klager.
De klachtencommissie vindt het dan ook redelijk dat de directie de feiten kwalificeerde als het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken (artikel 129, 9° Basiswet) en deze feiten aan klager toerekende. De redenering die de directie hierbij opbouwde, gaat volgens de klachtencommissie de grenzen van de redelijkheid niet te buiten en houdt ondanks de zaken die klager aanvoert, stand.
Het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken (artikel 129, 9° Basiswet) is een inbreuk van de eerste categorie. In geval van een inbreuk van de eerste categorie kan de afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte voor een maximumduur van 30 dagen opgelegd worden (artikel 132, 3° Basiswet). Klager kreeg 30 dagen ATV opgelegd. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en gelet op de aard van de inbreuk redelijk. De klacht is ongegrond.
In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de twee RAD’s van 3 oktober 2022 die op gedetailleerde wijze de vaststellingen omtrent het binnenhalen evenals de aangetroffen voorwerpen omschrijven. Klager en zijn advocaat voeren ter tuchtzitting aan dat klager op zijn bed lag op het moment dat de penitentiaire beambte ter plaatse kwam kijken. Dit werd ook opgenomen in het RAD. In zijn klacht voert klager aan dat hij sliep op het moment van de feiten en verwijst hiervoor eveneens naar het RAD. De klachtencommissie wijst erop dat het feit dat in het RAD geschreven wordt dat klager op zijn bed lag nog niet wil zeggen dat hij ook daadwerkelijk sliep en evenmin bewijst dat klager niets van de feiten afwist. Met name de omvang van de feiten is voor de directie doorslaggevend geweest om te oordelen dat klager wel degelijk betrokken was bij de operatie. Gelet op de omvang van de aangetroffen voorwerpen en het verloop van de operatie acht de klachtencommissie het redelijk dat de directie geen geloof hechtte aan de uitleg van klager.
Daarnaast heeft de directie zich bij het nemen van de tuchtbeslissing ook gebaseerd op feiten uit het verleden. Hoewel tuchtinbreuken uit het verleden op zichzelf niet als voldoende bewijs kunnen gelden, kunnen zij volgens de klachtencommissie in het voorliggend dossier wel gelden als ondersteunend element voor de redenering van de directie en met name staven waarom de directie geen geloof hecht aan de verklaringen van klager.
De klachtencommissie vindt het dan ook redelijk dat de directie de feiten kwalificeerde als het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken (artikel 129, 9° Basiswet) en deze feiten aan klager toerekende. De redenering die de directie hierbij opbouwde, gaat volgens de klachtencommissie de grenzen van de redelijkheid niet te buiten en houdt ondanks de zaken die klager aanvoert, stand.
Het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken (artikel 129, 9° Basiswet) is een inbreuk van de eerste categorie. In geval van een inbreuk van de eerste categorie kan de afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte voor een maximumduur van 30 dagen opgelegd worden (artikel 132, 3° Basiswet). Klager kreeg 30 dagen ATV opgelegd. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en gelet op de aard van de inbreuk redelijk. De klacht is ongegrond.