VOORLOPIGE MAATREGEL - MOTIVERING
In het voorliggend dossier werd artikel 145 §1, eerste lid Basiswet (ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid) aangekruist. Vervolgens werd er verwezen naar de weigering van medewerking aan een celcontrole en weerspannigheid ten aanzien van het personeel. De klachtencommissie is van oordeel dat uit deze beschrijving voldoende blijkt dat er sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid en vindt het dan ook redelijk dat de directie op basis daarvan overging tot het opleggen van een voorlopige maatregel tot plaatsing van klager op een beveiligde cel. De klacht is ongegrond.
Klager werd bij wijze van voorlopige maatregel ondergebracht in de beveiligde cel. Hij voert aan dat hij tijdens de voorlopige maatregel zijn hygiëne niet kon verzorgen en pas na 36 uur door de directie bezocht werd. Tijdens de onderbrenging in de beveiligde cel dient de directeur er zorg voor te dragen (i.e. zorgplicht) dat de gedetineerde zijn uiterlijk en lichamelijke hygiëne fatsoenlijk kan verzorgen (artikel 113 §2, 1° Basiswet) en dient hij hem zorgvuldig op te volgen en te bezoeken, om zich te vergewissen van zijn toestand en na te gaan of hij geen klachten of opmerkingen te formuleren heeft (artikel 113 §2, tweede lid Basiswet). De verantwoordelijkheid van de directeur verbonden aan een plaatsing van een gedetineerde in een beveiligde cel in het kader van een voorlopige maatregel, stopt met andere woorden niet bij de beslissing tot plaatsing op zich, maar strekt zich uit tot het volledige verblijf in de beveiligde cel. De klacht is ontvankelijk. Op basis van het verweer van de directie acht de klachtencommissie het echter onwaarschijnlijk dat de plaatsing in de beveiligde cel plaatsvond met miskenning van de rechten van klager. De klacht is ongegrond.
In het voorliggend dossier werd artikel 145 §1, eerste lid Basiswet (ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid) aangekruist. Vervolgens werd er verwezen naar de weigering van medewerking aan een celcontrole en weerspannigheid ten aanzien van het personeel. De klachtencommissie is van oordeel dat uit deze beschrijving voldoende blijkt dat er sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid en vindt het dan ook redelijk dat de directie op basis daarvan overging tot het opleggen van een voorlopige maatregel tot plaatsing van klager op een beveiligde cel. De klacht is ongegrond.
Klager werd bij wijze van voorlopige maatregel ondergebracht in de beveiligde cel. Hij voert aan dat hij tijdens de voorlopige maatregel zijn hygiëne niet kon verzorgen en pas na 36 uur door de directie bezocht werd. Tijdens de onderbrenging in de beveiligde cel dient de directeur er zorg voor te dragen (i.e. zorgplicht) dat de gedetineerde zijn uiterlijk en lichamelijke hygiëne fatsoenlijk kan verzorgen (artikel 113 §2, 1° Basiswet) en dient hij hem zorgvuldig op te volgen en te bezoeken, om zich te vergewissen van zijn toestand en na te gaan of hij geen klachten of opmerkingen te formuleren heeft (artikel 113 §2, tweede lid Basiswet). De verantwoordelijkheid van de directeur verbonden aan een plaatsing van een gedetineerde in een beveiligde cel in het kader van een voorlopige maatregel, stopt met andere woorden niet bij de beslissing tot plaatsing op zich, maar strekt zich uit tot het volledige verblijf in de beveiligde cel. De klacht is ontvankelijk. Op basis van het verweer van de directie acht de klachtencommissie het echter onwaarschijnlijk dat de plaatsing in de beveiligde cel plaatsvond met miskenning van de rechten van klager. De klacht is ongegrond.