Ga verder naar de inhoud

KC32/23-0223

Ongegrond KC - Turnhout Klachtencommissie Andere beslissing directeur
MEERPERSOONSCEL - GRONDSLAPEN

De klachtencommissie stelt vast dat klager zich beklaagt over het gegeven dat hij op de grond moet slapen. De directie stelt in haar verweer dat de klacht onontvankelijk is omdat het feit dat men met drie op een cel verblijft te wijten is aan de overschrijding van de capaciteit van de inrichting. De directie beroept zich aldus op ‘overmacht’.

Art. 3 EVRM legt aan de staat (in concreto: de gevangenisdirectie, die immers instaat voor de uitvoering van veroordelingen tot vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen) niet alleen een verplichting op de nodige zorg te betrachten opdat menswaardige detentieomstandigheden zouden worden gewaarborgd, maar verplicht de staat ertoe te garanderen dat mensonwaardige detentieomstandigheden uitgesloten zijn. Een beroep op ‘overmacht’ kan geen rechtvaardiging voor een tekortkoming aan die garantieverplichting opleveren. (BC/23-0139) Of de beslissing tot toewijzing van een verblijfsruimte in strijd is met een bindende bepaling van een in België geldend verdrag (artikel 3 EVRM) betreft overigens de grond van de klacht en niet de ontvankelijkheid ervan.

De omstandigheid dat de individuele directeur van een gevangenis feitelijk niet over de mogelijkheid beschikt om tegelijkertijd aan alle gedetineerden die in zijn gevangenis worden geplaatst, een cel toe te wijzen die menswaardige detentieomstandigheden garandeert, neemt de eventuele strijdigheid van de beslissing tot toewijzing van de cel met het objectief recht, met name artikel 3 EVRM, niet weg. Een eventuele onwettigheid wegens strijdigheid met het objectief recht wordt niet weggenomen door de vaststelling dat het inrichtingshoofd of de directeur geen subjectief verwijt treft bij het nemen van de individuele beslissing. (BC/23-0139)

De klachtencommissie erkent dat het gegeven dat klager op de grond moest slapen voor hem wellicht oncomfortabel was. Toch kan op basis hiervan niet zomaar besloten worden dat de beslissing tot plaatsing van klager op deze meerpersoonscel in strijd was met een in de gevangenis geldend wettelijk voorschrift of een bindende bepaling van een in België geldend verdrag (artikel 158 §2, 1° Basiswet).

De klachtencommissie onderzoekt de concrete situatie van klager in het licht van de criteria die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens hanteert bij de toetsing aan artikel 3 EVRM. Wanneer een gedetineerde over minder dan 3 m² persoonlijke ruimte (grondoppervlakte exclusief sanitaire voorzieningen) beschikt in een meerpersoonscel, is er een sterk vermoeden dat de opsluiting strijdig is met het verbod op onmenselijke behandeling van artikel 3 EVRM.

Dit vermoeden is weerlegbaar, voor zover voldaan aan een aantal cumulatieve voorwaarden:
1) De inperking van de vereiste minimale persoonlijke ruimte van 3 m² is kort, incidenteel en gering.
2) De inperking gaat gepaard met voldoende bewegingsvrijheid en activiteiten buiten de cel.
3) De gedetineerde is opgesloten in een in het algemeen geschikt bevonden inrichting en er zijn geen andere verzwarende omstandigheden aan zijn detentie.

De totale oppervlakte van de cel waarin klager verbleef bedroeg 10,26 m². De oppervlakte van de sanitaire voorzieningen, volgens de directie ‘een goede m² groot’, dient daarvan te worden afgetrokken. Hierdoor was er volgens de klachtencommissie naar alle waarschijnlijkheid (nipt) minder dan 3 m² persoonlijke ruimte ter beschikking. In het voorliggend dossier geldt er daardoor een vermoeden dat de opsluiting strijdig is met het verbod op onmenselijke behandeling van artikel 3 EVRM. Dit vermoeden is zoals eerder gesteld, weerlegbaar.

Volgens de informatie van de directie ging het om een inperking van maximaal 12 dagen. Klager had de mogelijkheid deel te nemen aan alle activiteiten buiten de cel. Uit de klacht van klager blijken geen andere verzwarende omstandigheden. Volgens de klachtencommissie kon het vermoeden dat de opsluiting strijdig is met het verbod op onmenselijke behandeling van artikel 3 EVRM in het voorliggend dossier afdoende weerlegd worden. Volgens de klachtencommissie was er dan ook géén sprake van een schending van artikel 3 EVRM. De klachtencommissie acht de beslissing onwettig noch onredelijk. De klacht is ongegrond.