KC32/24-0131
Ongegrond
Gegrond
Onontvankelijk
KC - Turnhout
Klachtencommissie
Tucht
Geen beslissing directeur
TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING - WANDELING
De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op het RAD. Ter tuchtzitting minimaliseert klager de feiten en stelt dat het slechts om spelen of knuffelen ging. Volgens de klachtencommissie bracht klager geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. De directie motiveert dat ze klager verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten omdat hij op het moment van de inbreuk helder en bewust was in zijn spreken en handelen. De klachtencommissie stelt vast dat dit element steun vindt in het RAD. De motivering voldoet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. Klager pleegde een inbreuk van de eerste categorie. De directie besloot enkel een eerder opgelegde voorwaardelijke sanctie van 10 dagen ATV ten uitvoer te leggen. De klachtencommissie acht de sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.
Klager stelt dat men hem tijdens zijn ATV niet laat wandelen of een uurtje in de buitenlucht verblijven. De directie stelt in haar verweer dat dit geen individuele beslissing van de directeur betreft. In haar aanvullende informatie brengt ze enkel de instructies aan het personeel in herinnering. De klachtencommissie wijst erop dat de verplichting van artikel 140, §2, tweede lid, 1° Basiswet in hoofde van de directie bestaat. Volgens de klachtencommissie weerlegt de directie hetgeen klager aanvoerde in feite niet, zodat het aannemelijk lijkt dat jegens hem niet aan deze verplichting werd voldaan. De klacht is gegrond.
Klager beklaagt zich over het gegeven dat hij niet mag stemmen. Uit het verweer van de directie blijkt dat het interneringsstatuut van klager de reden van zijn kiesonbekwaamheid is. Er werd door de directie dan ook geen geïndividualiseerde beslissing jegens klager genomen. De klacht is niet-ontvankelijk.
De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op het RAD. Ter tuchtzitting minimaliseert klager de feiten en stelt dat het slechts om spelen of knuffelen ging. Volgens de klachtencommissie bracht klager geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. De directie motiveert dat ze klager verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten omdat hij op het moment van de inbreuk helder en bewust was in zijn spreken en handelen. De klachtencommissie stelt vast dat dit element steun vindt in het RAD. De motivering voldoet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. Klager pleegde een inbreuk van de eerste categorie. De directie besloot enkel een eerder opgelegde voorwaardelijke sanctie van 10 dagen ATV ten uitvoer te leggen. De klachtencommissie acht de sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.
Klager stelt dat men hem tijdens zijn ATV niet laat wandelen of een uurtje in de buitenlucht verblijven. De directie stelt in haar verweer dat dit geen individuele beslissing van de directeur betreft. In haar aanvullende informatie brengt ze enkel de instructies aan het personeel in herinnering. De klachtencommissie wijst erop dat de verplichting van artikel 140, §2, tweede lid, 1° Basiswet in hoofde van de directie bestaat. Volgens de klachtencommissie weerlegt de directie hetgeen klager aanvoerde in feite niet, zodat het aannemelijk lijkt dat jegens hem niet aan deze verplichting werd voldaan. De klacht is gegrond.
Klager beklaagt zich over het gegeven dat hij niet mag stemmen. Uit het verweer van de directie blijkt dat het interneringsstatuut van klager de reden van zijn kiesonbekwaamheid is. Er werd door de directie dan ook geen geïndividualiseerde beslissing jegens klager genomen. De klacht is niet-ontvankelijk.