TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES
In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 11 juli 2024, waarin de vondst van een luciferdoosje met pillen en een verboden substantie wordt beschreven, de verklaringen van klager ter tuchtzitting, waarbij hij toegeeft gebruik te maken van het luciferdoosje, de donkere bolletjes met een hasjgeur die in het luciferdoosje werden aangetroffen en een meldingsverslag van dezelfde dag als het RAD, waarin gemeld wordt dat klager onder invloed leek. Dit meldingsverslag werd ter tuchtzitting aan de tegenspraak onderworpen en dient volgens de klachtencommissie beschouwd te worden als zijnde een schriftelijke neerslag van vermoedens. Volgens de klachtencommissie kwam de directie bij de beoordeling van het bewezen zijn van de feiten tot een conclusie die de grenzen van de redelijkheid niet te buiten gaan.
De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet) en het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd. Gelet op het gegeven dat klager toegaf gebruik te maken van het luciferdoosje en gelet op de vermoedens voortvloeiend uit het meldingsverslag acht de klachtencommissie het redelijk dat de directie beide inbreuken aan klager toerekende.
Klager pleegde één inbreuk van de eerste en één van de tweede categorie en kreeg hiervoor 21 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.
In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 11 juli 2024, waarin de vondst van een luciferdoosje met pillen en een verboden substantie wordt beschreven, de verklaringen van klager ter tuchtzitting, waarbij hij toegeeft gebruik te maken van het luciferdoosje, de donkere bolletjes met een hasjgeur die in het luciferdoosje werden aangetroffen en een meldingsverslag van dezelfde dag als het RAD, waarin gemeld wordt dat klager onder invloed leek. Dit meldingsverslag werd ter tuchtzitting aan de tegenspraak onderworpen en dient volgens de klachtencommissie beschouwd te worden als zijnde een schriftelijke neerslag van vermoedens. Volgens de klachtencommissie kwam de directie bij de beoordeling van het bewezen zijn van de feiten tot een conclusie die de grenzen van de redelijkheid niet te buiten gaan.
De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet) en het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd. Gelet op het gegeven dat klager toegaf gebruik te maken van het luciferdoosje en gelet op de vermoedens voortvloeiend uit het meldingsverslag acht de klachtencommissie het redelijk dat de directie beide inbreuken aan klager toerekende.
Klager pleegde één inbreuk van de eerste en één van de tweede categorie en kreeg hiervoor 21 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.