TUCHT - KWALIFICATIE INBREUK - MOTIVERING
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in de twee RAD’s.
In het eerste RAD wordt beschreven hoe klager en zijn celgenoot praten alsof ze een telefoongesprek hebben (maar niet met elkaar). De vaste telefoon is op dat ogenblik niet in gebruik. Dit gebeurt terwijl ze allebei met de knieën onder de lakens opgetrokken zitten, hetgeen de beambte doet vermoeden dat ze een gsm verbergen. Later die nacht wordt ook visueel vastgesteld hoe klager een gsm (die op dat moment nog aan het opladen is via een kabel) onder zijn kussen wegsteekt. Ter tuchtzitting stelt klager dat het om loutere vermoedens gaat en dat het ook kan dat hij en zijn celgenoot met elkaar aan het praten waren. Klager betwist hetgeen de chef gezien zou hebben en stelt dat er geen gsm aan het opladen was. Hij meent dat het om de kabel van de ventilator ging. Volgens de klachtencommissie bracht klager ter tuchtzitting geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De directie kwam tot een conclusie die de grenzen van de redelijkheid niet te buiten gaat. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten (gebruik van een gsm) bewezen achtte en aan klager toerekende. Dat er ter gelegenheid van de navolgende celcontrole geen gsm kon worden aangetroffen, doet hier volgens de klachtencommissie geen afbreuk aan.
In het tweede RAD wordt beschreven dat er naar aanleiding van een celcontrole een usb-stick en een gemanipuleerde vork worden aangetroffen. Klager erkent dat de usb-stick aan hem toebehoort. Ter tuchtzitting stelt hij dat de gemanipuleerde vork al een tijdje aanwezig was op de cel en niet aan hem toebehoort. De directie weerhoudt die feiten dan ook niet. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten (bezit van een usb-stick) bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten als het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken (artikel 129, 9° Basiswet) en het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd.
Klager pleegde één inbreuk van de eerste en één van de tweede categorie en kreeg hiervoor een sanctie van 20 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in de twee RAD’s.
In het eerste RAD wordt beschreven hoe klager en zijn celgenoot praten alsof ze een telefoongesprek hebben (maar niet met elkaar). De vaste telefoon is op dat ogenblik niet in gebruik. Dit gebeurt terwijl ze allebei met de knieën onder de lakens opgetrokken zitten, hetgeen de beambte doet vermoeden dat ze een gsm verbergen. Later die nacht wordt ook visueel vastgesteld hoe klager een gsm (die op dat moment nog aan het opladen is via een kabel) onder zijn kussen wegsteekt. Ter tuchtzitting stelt klager dat het om loutere vermoedens gaat en dat het ook kan dat hij en zijn celgenoot met elkaar aan het praten waren. Klager betwist hetgeen de chef gezien zou hebben en stelt dat er geen gsm aan het opladen was. Hij meent dat het om de kabel van de ventilator ging. Volgens de klachtencommissie bracht klager ter tuchtzitting geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De directie kwam tot een conclusie die de grenzen van de redelijkheid niet te buiten gaat. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten (gebruik van een gsm) bewezen achtte en aan klager toerekende. Dat er ter gelegenheid van de navolgende celcontrole geen gsm kon worden aangetroffen, doet hier volgens de klachtencommissie geen afbreuk aan.
In het tweede RAD wordt beschreven dat er naar aanleiding van een celcontrole een usb-stick en een gemanipuleerde vork worden aangetroffen. Klager erkent dat de usb-stick aan hem toebehoort. Ter tuchtzitting stelt hij dat de gemanipuleerde vork al een tijdje aanwezig was op de cel en niet aan hem toebehoort. De directie weerhoudt die feiten dan ook niet. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten (bezit van een usb-stick) bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten als het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken (artikel 129, 9° Basiswet) en het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd.
Klager pleegde één inbreuk van de eerste en één van de tweede categorie en kreeg hiervoor een sanctie van 20 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.