TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING - TEGEMOETKOMING
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 5 oktober 2024. Hierin wordt toegelicht hoe klager hoe klager zijn lichaam aanstoot tegen de vrouwelijk beambte die op dat ogenblik net zijn celdeur opent en hoe hij met beide handen haar heupen vastneemt. Ter tuchtzitting stelt klager dat hij geen bijbedoelingen had en dat hij haar louter wou tegenhouden toen ze een stapje achteruit deed. De directie beoordeelde de door klager aangehaalde argumenten als zijnde ongeloofwaardig omwille van het feit dat hij zich op het ogenblik van de feiten niet nader verklaarde of zijn excuses aanbood. Volgens de klachtencommissie ging de directie de grenzen van de redelijkheid niet te buiten in het trekken van deze conclusie. De klachtencommissie acht het dan ook redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
De directie kwalificeerde alle feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
De directie motiveert dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende elementen:
(1) Op het moment dat klager ingelicht werd over het RAD was hij helder en bewust in zijn spreken en handelen. De klachtencommissie wijst er op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Het moment waarop klager wordt ingelicht over het RAD (dat op zichzelf pas 5 uur na het incident werd opgesteld) is dan ook niet representatief voor zijn toestand op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende. Het voorliggend dossier bevat daarenboven geen enkel schriftelijk stuk dat hetgeen de directie hierover aanhaalt, ondersteunt.
(2) Op de tuchtzitting kan klager een helder verhaal vertellen waaruit blijkt dat hij deze handelingen doelbewust gesteld heeft. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich evenmin uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dat hij nadien alles in een coherent verhaal kan gieten, zegt niet noodzakelijk iets over klager zijn geestestoestand op het moment van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet.
De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. Klager krijgt een tegemoetkoming van 120 minuten belkrediet.
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 5 oktober 2024. Hierin wordt toegelicht hoe klager hoe klager zijn lichaam aanstoot tegen de vrouwelijk beambte die op dat ogenblik net zijn celdeur opent en hoe hij met beide handen haar heupen vastneemt. Ter tuchtzitting stelt klager dat hij geen bijbedoelingen had en dat hij haar louter wou tegenhouden toen ze een stapje achteruit deed. De directie beoordeelde de door klager aangehaalde argumenten als zijnde ongeloofwaardig omwille van het feit dat hij zich op het ogenblik van de feiten niet nader verklaarde of zijn excuses aanbood. Volgens de klachtencommissie ging de directie de grenzen van de redelijkheid niet te buiten in het trekken van deze conclusie. De klachtencommissie acht het dan ook redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
De directie kwalificeerde alle feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
De directie motiveert dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende elementen:
(1) Op het moment dat klager ingelicht werd over het RAD was hij helder en bewust in zijn spreken en handelen. De klachtencommissie wijst er op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Het moment waarop klager wordt ingelicht over het RAD (dat op zichzelf pas 5 uur na het incident werd opgesteld) is dan ook niet representatief voor zijn toestand op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende. Het voorliggend dossier bevat daarenboven geen enkel schriftelijk stuk dat hetgeen de directie hierover aanhaalt, ondersteunt.
(2) Op de tuchtzitting kan klager een helder verhaal vertellen waaruit blijkt dat hij deze handelingen doelbewust gesteld heeft. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich evenmin uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dat hij nadien alles in een coherent verhaal kan gieten, zegt niet noodzakelijk iets over klager zijn geestestoestand op het moment van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet.
De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. Klager krijgt een tegemoetkoming van 120 minuten belkrediet.