Ga verder naar de inhoud

KC32/24-0217

Gegrond KC - Turnhout Klachtencommissie Tucht
TUCHT - BEWIJS - TOEREKENBAARHEID - MEERPERSOONSCEL - VERBODEN SUBSTANTIES - TEGEMOETKOMING

De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten eerst en vooral gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Hierin wordt beschreven hoe er een pakketje met onbekende substantie wordt aangetroffen in de deurknop van de badkamer. Zowel klager als zijn celgenoot ontkennen er iets mee te maken te hebben. De klachtencommissie wijst erop dat het RAD enkel dient als bewijs van het bestaan van de verboden substantie, doch géén uitsluitsel geeft over aan wie het bezit kan worden toegerekend.

De directeur was dan ook genoodzaakt zich op andere elementen te beroepen om de feiten (die plaatsvonden op een tweepersoonscel) aan klager te kunnen toerekenen en verwees dan ook naar:

- Het tuchtverleden van klager. De klachtencommissie stelt vast dat nergens in het tuchtregister melding wordt gemaakt van een inbreuk “cat 1.7”, hetgeen zou verwijzen naar het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). De klachtencommissie ziet dan ook niet in hoe een verwijzing naar het tuchtverleden van klager dienstig is als element om de feiten aan klager toe te rekenen.

- Gesprekken met de celgenoot. De directie stelt ter tuchtzitting: “Ik heb net met de celgenoot een babbel gedaan en die zegt dat hij er niets mee te maken heeft. Ik geloof hem wel en ga dus naar uw cliënt kijken (…)”. De verklaringen van de celgenoot hebben duidelijk in het nadeel van klager gespeeld. Het horen van een getuige dient te gebeuren in aanwezigheid van de gedetineerde (of minstens: zijn advocaat; artikel 144, §5, vijfde lid Basiswet). Dit gebeurde in het voorliggend dossier niet. Bovendien werden de verklaringen van de celgenoot op geen enkele manier aan tegenspraak onderworpen. De directeur meldde ter tuchtzitting enkel dat hij “een babbel deed” met de celgenoot, doch lichtte daarbij op geen enkele wijze toe wat er door de celgenoot werd gezegd. De klachtencommissie meent dan ook dat er voor dit aspect sprake is van een schending van de rechten van verdediging.

- De tijd dat klager op cel verblijft. Dit element werd ook door de advocaat ingeroepen, zij het in het voordeel van klager, namelijk dat hij al van in het begin op deze cel verblijft, doch dat er in al die tijd nog geen drugs werd aangetroffen. Klager haalt in zijn klacht aan hoe er sedert juli al zeker 10 andere mensen bij hem op cel verbleven. De klachtencommissie meent dat dit aspect inderdaad niet dienstig is als element om de feiten aan klager toe te rekenen.

Volgens de klachtencommissie ging de directie de grenzen van de redelijkheid te buiten door de feiten in verband met de verboden substanties aan klager toe te rekenen. Ze beriep zich hiervoor immers op elementen die niet dienstig waren dan wel bekomen werden op een manier die de rechten van verdediging schonden.

In het licht van dit laatste wijst de klachtencommissie ook nog op het volgende. Klager stelt in zijn klacht dat hij door de beambte verhinderd werd om zich naar de tuchtzitting te begeven. Het is volgens de klachtencommissie onduidelijk of klager daadwerkelijk weigerde te verschijnen, dan wel verhinderd werd om te verschijnen. Er werd in elk geval geen CB nr. 124 bijlage 7 (verklaring weigering te worden gehoord) toegevoegd aan het dossier, hetgeen nochtans als onomstotelijk bewijs van een weigering om te verschijnen had kunnen dienen.

De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. Klager krijgt als tegemoetkoming 60 belminuten.