Ga verder naar de inhoud

KC32/24-0227

Gegrond KC - Turnhout Klachtencommissie Tucht
TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING

De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 23 oktober 2024. Hierin wordt beschreven hoe klager, sterk geurend naar marihuana, terugkeert van de wandeling. Omdat dit al meermaals is voorgevallen maar klager telkens ontkent dat hij iets rookt, riep de beambte vijf andere personeelsleden ter plaatse om zijn vaststellingen te bevestigen. Ter tuchtzitting ontkende klager dat hij iets gerookt had. Hij verklaart ook dat hij dit op het ogenblik van de feiten tegen de chef gezegd heeft, verwijzend naar het intakegesprek dat hij binnenkort heeft (dit werd niet in het RAD opgenomen). Volgens de klachtencommissie bracht klager geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het, zeker gelet op het grote aantal getuigen dat de beambte bijkomend optrommelde, redelijk dat de directie de daarin omschreven feiten bewezen achtte.

De beambte nam een drugsgeur waar. Klager zijn advocate voert ter tuchtzitting aan dat er geen drugs werd aangetroffen. De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). De klachtencommissie wijst erop dat er in het voorliggend dossier vanuit kan worden gegaan dat klager de drugs, die hij tot voor kort in zijn bezit had, op de wandeling verbruikt heeft. Dit staat een kwalificatie van de feiten als bezit van verboden substanties niet in de weg. De klachtencommissie acht de kwalificatie dan ook correct en afdoende gemotiveerd.

De directie motiveerde dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten, verwijzend naar drie elementen:

(1) Klager functioneerde de afgelopen dagen in het normale regime. Er kan volgens de klachtencommissie niet worden verwezen naar een schijnbaar constante toestand van toerekenbaarheid voor alle daden/gedrag binnen detentie, aangezien dit niet strookt met het statuut van internering. De klachtencommissie herinnert eraan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Het komt aan de directie toe om te motiveren waarom ze deze specifieke feiten wél toerekenbaar acht. Dit element is dan ook niet afdoende.
(2) Klager zijn problematiek is niet van die aard dat hij niet beseft dat drugs verboden zijn. De klachtencommissie wijst er op dat het gegeven dat klager weet dat een bepaalde gedraging een inbreuk uitmaakt, nog niet uitsluit dat hij zijn gedrag niet voldoende onder controle heeft om zich er ook van te onthouden. Dit element is dan ook niet afdoende.
(3) Klager vertelt een helder en samenhangend verhaal op de tuchtzitting. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dat hij nadien alles in een coherent verhaal kan gieten, zegt niet noodzakelijk iets over klager zijn geestestoestand op het moment van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende.

De klachtencommissie meent dat de directie in het voorliggend dossier de toerekenbaarheid van de feiten aan klager wel had kunnen verantwoorden. Voorwaarde hiertoe was dat het RAD gedetailleerder werd opgesteld. De klachtencommissie verwijst naar hetgeen klager ter tuchtzitting verklaart, namelijk dat hij op het ogenblik van (de ontdekking van) de feiten tegen de chef gezegd heeft dat hij niets gerookt heeft, verwijzend naar het intakegesprek dat hij binnenkort heeft. Zoals reeds gezegd werd deze passage niet in het RAD opgenomen. Klager legde deze verklaring volgens de klachtencommissie af om de slaagkansen van zijn geplande intakegesprek niet te kelderen, waaruit volgens haar een beredeneerd handelen van klager op het ogenblik van de feiten had kunnen afgeleid worden. Aangezien dit echter niet als zodanig terugkwam in het RAD en dus ook niet in de motivering van de tuchtbeslissing, voldoet de motivering van de toerekenbaarheid van de feiten niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.