Ga verder naar de inhoud

KC32/24-0231

Ongegrond KC - Turnhout Klachtencommissie Tucht
TUCHT - BEWIJS - VERBODEN SUBSTANTIES

De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in twee RAD’s van 28 en 29 oktober 2024 (allebei opgesteld naar aanleiding van een celcontrole). Ter tuchtzitting erkent klager dat alle aangetroffen voorwerpen aan hem toebehoren (ook al meent hij dat hij sommige voorwerpen in zijn bezit mocht hebben). In verband met de vloeistof in de blikjes ontkent hij echter met klem dat dit een verdachte substantie zou betreffen. Hij houdt vol dat het om gewoon water gaat, eventueel met wat grenadine voor de smaak. Ook in zijn klacht stelt klager dat hij zich enkel beklaagt over het gevolg dat er werd gegeven aan de blikjes met vloeistof. “De rest” en de sanctie van 30 dagen ATV betwist hij niet.

Klager lijkt zich vooral te beklagen over de expertise die door de lokale politie werd uitgevoerd. Hij betreurt dat dit ook een eventueel strafrechtelijk gevolg zal hebben. Ook de advocaat dringt in dat licht aan op een representatieve staalname. Deze kwestie valt buiten het toepassingsgebied van het beklagrecht.

Voor wat betreft het tuchtrechtelijk gevolg, wijst de klachtencommissie er op dat de directeur voor het bewijs mag steunen op materiële vaststellingen, bekentenissen, getuigenissen of vermoedens, zolang hij bij zijn beoordeling van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten tot een conclusie komt die de grenzen van de redelijkheid niet te buiten gaan. Dat de strip die door de lokale politie werd gebruikt door verkleuring aangaf dat de vloeistof “waarschijnlijk een bestanddeel van GHB bevatte”, is volgens de klachtencommissie voldoende om over een vermoeden te spreken. Bovendien baseerde de directie zich daarnaast ook nog op haar eigen geurwaarneming. De directie ging de grenzen van de redelijkheid dan ook niet te buiten door te concluderen dat de vloeistof die werd aangetroffen géén gewoon water, doch een verboden substantie betrof of die minstens bevatte.

De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet), het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken (artikel 129, 9° Basiswet) en het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd. De klachtencommissie wijst er voor de volledigheid op dat zelfs indien klager succesvol had kunnen betwisten dat de blikjes een verboden substantie bevatten, hij nog steeds gesanctioneerd kon worden voor de inbreuk van het bezit van door of krachtens de wet verboden substanties (artikel 129, 7° Basiswet), nu ook de amfetamines waarvan hij het bezit toegaf, onder deze inbreuk vallen.

Klager pleegde twee inbreuken van de eerste categorie en één inbreuk van de tweede categorie en kreeg hiervoor 30 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.