Ga verder naar de inhoud

KC32/25-0124

Gegrond Tegemoetkoming KC - Turnhout Klachtencommissie Voorlopige maatregel Tucht Fouille op het lichaam
VM - TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - FOUILLE LICHAAM - TEGEMOETKOMING

De eerste klacht is gericht tegen een voorlopige maatregel. De klachtencommissie stelt vast dat klager reeds op 27 juni 2025 een eerste klachtenformulier invulde, waarop hij géén melding maakte van een klacht tegen een voorlopige maatregel. Hij sprak enkel (in onduidelijke bewoordingen) over 21 dagen ATV, hetgeen verwijst naar een tuchtbeslissing. Pas op het tweede formulier van 1 juli 2025 maakt klager melding van een klacht tegen een voorlopige maatregel. De bestreden beslissing dateert echter van 22 juni 2025 en werd op 23 juni 2025 aan klager betekend. Deze schriftelijke beslissing verwijst ook naar de mogelijkheid van klachtindiening. De klachtencommissie ziet in het voorliggend dossier dan ook geen reden om de naleving van de indieningstermijn soepel te beoordelen. De klacht tegen de voorlopige maatregel werd laattijdig geformuleerd. De klacht is niet-ontvankelijk.

De tweede klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing. De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in vier RAD’s. Ter tuchtzitting bracht klager geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de in de RAD’s beschreven feiten bewezen achtte.

De klachtencommissie acht de kwalificatie van de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet) correct en afdoende gemotiveerd. De klachtencommissie stelt vast dat de tuchtbeslissing gebrekkig is voor wat betreft de kwalificatie van de feiten als het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). Voor wat betreft het doorgeven van het geld werd afdoende gemotiveerd in welke zin dit een inbreuk op het huishoudelijk reglement uitmaakt. Voor wat betreft de gemanipuleerde voorwerpen werd onvoldoende duidelijk gemotiveerd over welke voorwerpen dit gaat en in welke zin de manipulaties een inbreuk op het huishoudelijk reglement uitmaken.

De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. De directie stelt dat ze de feiten toerekenbaar acht omdat uit “het RAD” blijkt dat klager op het moment van de inbreuken helder en bewust was. Ze zegt met name: “Wanneer de medewerkers hem naar zijn verblijfsruimte begeleiden, gaat betrokkene immers in zijn gebruikelijke stijl maar helder en coherent in gesprek met de medewerkers.” De klachtencommissie wijst erop dat de beslissing steunt op de vaststellingen uit vier RAD’s, waarvan twee zonder sprake van enige interactie tussen klager en beambten. In het RAD van 21 juni 2025 wordt het gesprek tussen klager en de beambte helder weergegeven. Dit RAD dateert echter van de dag na de feiten en zegt dus niets over klager zijn toestand op het moment van de feiten. In het RAD van 23 juni 2025, dat handelt over gebeurtenissen van 22 juni 2025, is er sprake van enige interactie tussen klager en de beambten, maar het onderste gedeelte werd pas genoteerd na de celcontrole, en dus ruim na de feiten op de wandeling. Hetgeen de directie vermeldt als motivering van de toerekenbaarheid heeft dan ook geen betrekking op de toestand van klager vlak na de feiten van de wandeling, maar op de toestand van klager vlak na de celcontrole. Bovendien leest de klachtencommissie in deze paragraaf niet dat klager “helder en coherent” in gesprek gaat. Klager roept allerlei zaken naar de beambten, die hem aanmanen te zwijgen. Hetgeen de directie zegt, vindt geen ondersteuning in het RAD. Vervolgens verwijst de directie naar de verklaringen van klager ter tuchtzitting en met name naar de manier waarop hij over zijn inbreuken vertelt. De klachtencommissie heeft al meermaals geoordeeld dat de directie zich hiermee niet uitspreekt over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dat hij nadien alles in een coherent verhaal kan gieten zegt immers niet noodzakelijk iets over klager zijn geestestoestand op het moment dat hij de feiten pleegde. De klachtencommissie stelt bovendien vast dat klager ter tuchtzitting het overgrote deel van de feiten ontkende. De verwijzing naar de tuchtzitting lijkt dan ook een standaardmotivering die niet is aangepast aan de concrete stukken van het dossier. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. Klager krijgt een tegemoetkoming van 120 minuten belkrediet.

De derde klacht is gericht tegen een fouille op het lichaam. De directie haalt als individuele aanwijzing aan dat er tijdens de individuele wandeling van klager een zeer sterke geur van vermoedelijk verboden substantie werd waargenomen. De klachtencommissie vindt dat deze individuele aanwijzing voldoende geconcretiseerd is. In de bestreden beslissing wordt gemotiveerd waarom een onderzoek aan de kledij niet zou volstaan om het bezit van deze voorwerpen te achterhalen. De klachtencommissie besluit dat de motivering van de beslissing voldoet aan de vereisten van artikel 108 j° artikel 8 Basiswet. De beslissing tot fouillering op het lichaam werd echter niet binnen de 24u bezorgd aan klager. De klachtencommissie merkt zelfs op dat de directie blijkbaar niet alleen vergat om de beslissing aan klager te bezorgen, doch ze ook pas na het ontdekken van deze vergetelheid op papier zette, nu er van deze vergetelheid melding wordt gemaakt in de beslissing zelf. Er is aldus sprake van een niet naleving van artikel 108, §2, tweede lid Basiswet in hoofde van de directie. De klacht is gegrond. Klager krijgt een tegemoetkoming van 30 minuten belkrediet.