KC32/25-0158
Gegrond
KC - Turnhout
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
CEL - OVERBEVOLKING
De klacht is gericht tegen een beslissing van de directie om klager in een duocel met 2 medegedetineerden te huisvesten. Artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) verbiedt onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) verduidelijkte dat er een sterk vermoeden is dat de opsluiting strijdig is met het verbod op onmenselijke behandeling, wanneer een gedetineerde beschikt over minder dan 3m² in een meerpersoonscel. Naar analogie met het Europees Comité ter Preventie van Foltering, stelt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat sanitaire voorzieningen niet mogen meegerekend worden in de totale oppervlakte van de cel. Het sterk vermoeden kan volgens het EHRM weerlegd worden indien cumulatief aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1. De inperkingen van de vereiste minimale persoonlijke ruimte van 3m² zijn kort, incidenteel en gering;
2. De inperkingen gaan gepaard met voldoende bewegingsvrijheid en activiteiten buiten de cel;
3. De gedetineerde is opgesloten in een in het algemeen geschikt bevonden detentie-inrichting en er zijn geen andere verzwarende omstandigheden aan zijn of haar detentie.
De directie heeft de vragen van de klachtencommissie nooit beantwoord. De directie werd op verschillende momenten, over de periode van meer dan een maand, in de mogelijkheid gesteld de nodige informatie en stukken aan de klachtencommissie en klager over te maken. Uit bovenstaande blijkt dat het vermoeden van strijdigheid met het verbod op een onmenselijke behandeling in dit geval niet kan worden weerlegd. De situatie waarin klager verbleef was in strijd met artikel 3 van het EVRM. Om deze redenen is de klacht gegrond.
De klacht is gericht tegen een beslissing van de directie om klager in een duocel met 2 medegedetineerden te huisvesten. Artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) verbiedt onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) verduidelijkte dat er een sterk vermoeden is dat de opsluiting strijdig is met het verbod op onmenselijke behandeling, wanneer een gedetineerde beschikt over minder dan 3m² in een meerpersoonscel. Naar analogie met het Europees Comité ter Preventie van Foltering, stelt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat sanitaire voorzieningen niet mogen meegerekend worden in de totale oppervlakte van de cel. Het sterk vermoeden kan volgens het EHRM weerlegd worden indien cumulatief aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1. De inperkingen van de vereiste minimale persoonlijke ruimte van 3m² zijn kort, incidenteel en gering;
2. De inperkingen gaan gepaard met voldoende bewegingsvrijheid en activiteiten buiten de cel;
3. De gedetineerde is opgesloten in een in het algemeen geschikt bevonden detentie-inrichting en er zijn geen andere verzwarende omstandigheden aan zijn of haar detentie.
De directie heeft de vragen van de klachtencommissie nooit beantwoord. De directie werd op verschillende momenten, over de periode van meer dan een maand, in de mogelijkheid gesteld de nodige informatie en stukken aan de klachtencommissie en klager over te maken. Uit bovenstaande blijkt dat het vermoeden van strijdigheid met het verbod op een onmenselijke behandeling in dit geval niet kan worden weerlegd. De situatie waarin klager verbleef was in strijd met artikel 3 van het EVRM. Om deze redenen is de klacht gegrond.