Ga verder naar de inhoud

KC32/25-0177

Gegrond KC - Turnhout Klachtencommissie Tucht
TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING - SANCTIE

De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten in eerste instantie gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 11 september 2025. Hierin wordt beschreven hoe een beambte bij het passeren van de verblijfsruimte van klager een zeer sterke geur waarneemt. Deze geur wordt erger bij het openen van de verblijfsruimte. Wanneer klager wordt gevraagd of er in de verblijfsruimte iets aanwezig is wat deze geur kon veroorzaken overhandigt hij een gerolde sigaret waarbij hij zelf bevestigt dat er verboden substantie in zit. De beambte vraagt of er in de verblijfsruimte nog iets aanwezig was, waarop klager hem een pak tabak overhandigt en vraagt of de beambte zelf gaat zoeken, want dat als er iets zou zijn, dat het daarin zou zitten. Uiteindelijk overhandigt klager zelf een bolletje bruine substantie uit het pak tabak. Klager vraagt daarop of hij hiervoor 30 dagen ATV gaat krijgen. Ter tuchtzitting erkende klager de feiten. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.

De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. De vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. In het voorliggend dossier motiveert de directie dat ze klager verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten, verwijzend naar twee elementen. Ten eerste stelt de directie: “Tijdens de tuchthoorzitting bleek dat hij zeer goed wist waar het over ging. Zijn reacties en toelichtingen waren coherent en doelgericht.” De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de verklaringen van klager op het moment van de tuchtzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dat hij nadien alles in een coherent verhaal kan gieten zegt immers niets over zijn toestand op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende. Ten tweede stelt de directie: “Daarnaast blijkt uit dagelijkse observaties dat betrokkene in staat is zijn gedrag te sturen en zich bewust is van de gevolgen van zijn handelen. Er zijn geen aanwijzingen dat sprake is van een psychische of cognitieve beperking die zijn toerekeningsvatbaarheid zou verminderen. De directeur acht betrokkene dan ook volledig toerekeningsvatbaar voor zijn gedrag.” Er kan volgens de klachtencommissie niet worden verwezen naar een schijnbaar constante toestand van toerekenbaarheid voor alle gedrag binnen detentie, aangezien dit niet strookt met het statuut van internering. De klachtencommissie herinnert eraan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Het komt aan de directie toe om te motiveren waarom ze deze specifieke feiten wél toerekenbaar acht.
Volgens de klachtencommissie voldoet de motivering van de toerekenbaarheid van de feiten dan ook niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. De nog lopende ATV-sanctie dient onmiddellijk te worden stopgezet.