KC32/25-0207
Gegrond
KC - Turnhout
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
CEL - OVERBEVOLKING - GRONDSLAPER
Klager heeft een klacht ingediend omdat hij op de grond moet slapen in een cel waarin nog twee medegedetineerden verblijven. De beslissing door of namens de directie waarbij aan een gedetineerde een cel wordt toegewezen die een verblijf in mensonwaardige detentieomstandigheden in de zin van artikel 3 EVRM impliceert, is in strijd met een bindende bepaling van een in België geldend verdrag. Een klacht tegen dergelijke beslissing moet bijgevolg conform de Basiswet gegrond worden verklaard. De omstandigheid dat de individuele directeur van een gevangenis feitelijk niet over de mogelijkheid beschikt om tegelijkertijd aan alle gedetineerden die in zijn gevangenis worden geplaatst, een cel toe te wijzen waarin de gedetineerde in menswaardige detentieomstandigheden kan verblijven, neemt de strijdigheid van de beslissing met het objectief recht, namelijk artikel 3 EVRM, niet weg. De omstandigheid dat de beslissing wordt genomen in een context waarvoor de eindverantwoordelijkheid berust bij de uitvoerende macht en waarvan de penitentiaire administratie zelf afhankelijk is, wijzigt evenmin iets aan de vaststelling dat de individuele beslissing tot toewijzing van de cel strijdig is met het objectief recht. Dat deze omstandigheden met andere woorden buiten de wil zijn van de gevangenisdirectie, betekent niet noodzakelijk dat er geen schending kan zijn van artikel 3 EVRM.
De klachtencommissie dient aldus de situatie van klager in het licht van artikel 3 EVRM te onderzoeken. In de rechtspraak heeft het EHRM bepaald dat wanneer iemand moet verblijven in een cel met minder dan 3m² persoonlijke ruimte het gebrek aan ruimte alleen al geldt als een ernstig vermoeden van een schending van artikel 3 EVRM. De gevangenisdirectie kan dat vermoeden weerleggen indien het gaat om een korte periode tijdens dewelke men voldoende tijd buiten de cel kan doorbrengen en als er geen andere elementen zijn die wijzen op slechte detentieomstandigheden. Andere verzwarende omstandigheden in de beoordeling van een eventuele schending van artikel 3 EVRM zijn een blootstelling aan passief roken, geen degelijke verluchting of geen natuurlijke verlichting, verwarming, de mogelijkheid om het sanitair privé te gebruiken en het al dan niet voldoen aan voorwaarden over hygiëne en sanitair. Voor het berekenen van de persoonlijke ruimte mag de ruimte die de sanitaire voorzieningen innemen niet meetellen voor de totale oppervlakte. Daarnaast is in artikel 5 van de Basiswet bepaald dat de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel ten uitvoer wordt gelegd in psychosociale, fysieke en materiële omstandigheden die de waardigheid van de mens eerbiedigen, die het behoud of de groei van het zelfrespect van de gedetineerde mogelijk maken en die hem aanspreken op zijn individuele en sociale verantwoordelijkheid.
Bij gebreke aan gegevens kan de klachtencommissie niet concluderen dat klager over meer dan 3m² beschikte in de cel, noch dat er voldaan was aan de cumulatieve voorwaarden zodat er geen sprake was van een vermoeden dat de opsluiting van klager in de meerpersoonscel waarbij hij over minder dan 3m² beschikte, in strijd was met het verbod op onmenselijke behandeling. De klachtencommissie kan zich dus enkel baseren op de verklaring van klager in zijn klacht, namelijk dat hij op de grond moest slapen in een veel te kleine cel hetgeen de klachtencommissie doet besluiten dat klager verbleef in onmenselijke omstandigheden waardoor er sprake is van een schending van artikel 3 EVRM en artikel 5 van de Basiswet. Om deze reden is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de beslissing van de directie tot toewijzing van klager aan een cel die hij moest delen met twee medegedetineerden en waarin hij op de grond moest slapen. De klachtencommissie draagt de directie op om klager – voor zover dit nog niet gebeurd is - onmiddellijk aan een cel toe te wijzen waarin hij over een persoonlijke ruimte van minstens 3m² beschikt en kan slapen in een bed.
Klager heeft een klacht ingediend omdat hij op de grond moet slapen in een cel waarin nog twee medegedetineerden verblijven. De beslissing door of namens de directie waarbij aan een gedetineerde een cel wordt toegewezen die een verblijf in mensonwaardige detentieomstandigheden in de zin van artikel 3 EVRM impliceert, is in strijd met een bindende bepaling van een in België geldend verdrag. Een klacht tegen dergelijke beslissing moet bijgevolg conform de Basiswet gegrond worden verklaard. De omstandigheid dat de individuele directeur van een gevangenis feitelijk niet over de mogelijkheid beschikt om tegelijkertijd aan alle gedetineerden die in zijn gevangenis worden geplaatst, een cel toe te wijzen waarin de gedetineerde in menswaardige detentieomstandigheden kan verblijven, neemt de strijdigheid van de beslissing met het objectief recht, namelijk artikel 3 EVRM, niet weg. De omstandigheid dat de beslissing wordt genomen in een context waarvoor de eindverantwoordelijkheid berust bij de uitvoerende macht en waarvan de penitentiaire administratie zelf afhankelijk is, wijzigt evenmin iets aan de vaststelling dat de individuele beslissing tot toewijzing van de cel strijdig is met het objectief recht. Dat deze omstandigheden met andere woorden buiten de wil zijn van de gevangenisdirectie, betekent niet noodzakelijk dat er geen schending kan zijn van artikel 3 EVRM.
De klachtencommissie dient aldus de situatie van klager in het licht van artikel 3 EVRM te onderzoeken. In de rechtspraak heeft het EHRM bepaald dat wanneer iemand moet verblijven in een cel met minder dan 3m² persoonlijke ruimte het gebrek aan ruimte alleen al geldt als een ernstig vermoeden van een schending van artikel 3 EVRM. De gevangenisdirectie kan dat vermoeden weerleggen indien het gaat om een korte periode tijdens dewelke men voldoende tijd buiten de cel kan doorbrengen en als er geen andere elementen zijn die wijzen op slechte detentieomstandigheden. Andere verzwarende omstandigheden in de beoordeling van een eventuele schending van artikel 3 EVRM zijn een blootstelling aan passief roken, geen degelijke verluchting of geen natuurlijke verlichting, verwarming, de mogelijkheid om het sanitair privé te gebruiken en het al dan niet voldoen aan voorwaarden over hygiëne en sanitair. Voor het berekenen van de persoonlijke ruimte mag de ruimte die de sanitaire voorzieningen innemen niet meetellen voor de totale oppervlakte. Daarnaast is in artikel 5 van de Basiswet bepaald dat de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel ten uitvoer wordt gelegd in psychosociale, fysieke en materiële omstandigheden die de waardigheid van de mens eerbiedigen, die het behoud of de groei van het zelfrespect van de gedetineerde mogelijk maken en die hem aanspreken op zijn individuele en sociale verantwoordelijkheid.
Bij gebreke aan gegevens kan de klachtencommissie niet concluderen dat klager over meer dan 3m² beschikte in de cel, noch dat er voldaan was aan de cumulatieve voorwaarden zodat er geen sprake was van een vermoeden dat de opsluiting van klager in de meerpersoonscel waarbij hij over minder dan 3m² beschikte, in strijd was met het verbod op onmenselijke behandeling. De klachtencommissie kan zich dus enkel baseren op de verklaring van klager in zijn klacht, namelijk dat hij op de grond moest slapen in een veel te kleine cel hetgeen de klachtencommissie doet besluiten dat klager verbleef in onmenselijke omstandigheden waardoor er sprake is van een schending van artikel 3 EVRM en artikel 5 van de Basiswet. Om deze reden is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de beslissing van de directie tot toewijzing van klager aan een cel die hij moest delen met twee medegedetineerden en waarin hij op de grond moest slapen. De klachtencommissie draagt de directie op om klager – voor zover dit nog niet gebeurd is - onmiddellijk aan een cel toe te wijzen waarin hij over een persoonlijke ruimte van minstens 3m² beschikt en kan slapen in een bed.