VOORLOPIGE MAATREGEL - MOTIVERING
Klager dient klacht in tegen een voorlopige maatregel. De directeur besliste tot een verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte op basis van de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid (artikel 145, §1, eerste lid Basiswet). De directeur besliste daarnaast om klager uit te sluiten van de gemeenschappelijke wandeling op basis van het gevaar voor de orde of de veiligheid (artikel 145, §1, tweede lid Basiswet).
De directie maakte een meldingsverslag over waaruit blijkt dat een gedetineerde werd aangevallen door een groep medegedetineerden en dat klager mogelijks één van de agressoren was. De klachtencommissie meent dat hieruit voldoende blijkt dat de fysieke integriteit van een persoon opzettelijk aangetast werd en er een gevaar was voor de veiligheid. Er was volgens de klachtencommissie dan ook een wettelijke grondslag voorhanden om over te gaan tot het opleggen van een voorlopige maatregel ten aanzien van klager. Deze betrokkenheid van klager (zonder dat daarbij al vaststond dat hij slagen zou hebben toegediend) werd ook als zodanig aangehaald in de motivering van de voorlopige maatregel. De motivering van de voorlopige maatregel, hoewel zeer summier, was volgens de klachtencommissie dan ook duidelijk genoeg om klager in staat te stellen de redenen van de beslissing te begrijpen.
De klacht is ongegrond.
Klager dient klacht in tegen een voorlopige maatregel. De directeur besliste tot een verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte op basis van de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid (artikel 145, §1, eerste lid Basiswet). De directeur besliste daarnaast om klager uit te sluiten van de gemeenschappelijke wandeling op basis van het gevaar voor de orde of de veiligheid (artikel 145, §1, tweede lid Basiswet).
De directie maakte een meldingsverslag over waaruit blijkt dat een gedetineerde werd aangevallen door een groep medegedetineerden en dat klager mogelijks één van de agressoren was. De klachtencommissie meent dat hieruit voldoende blijkt dat de fysieke integriteit van een persoon opzettelijk aangetast werd en er een gevaar was voor de veiligheid. Er was volgens de klachtencommissie dan ook een wettelijke grondslag voorhanden om over te gaan tot het opleggen van een voorlopige maatregel ten aanzien van klager. Deze betrokkenheid van klager (zonder dat daarbij al vaststond dat hij slagen zou hebben toegediend) werd ook als zodanig aangehaald in de motivering van de voorlopige maatregel. De motivering van de voorlopige maatregel, hoewel zeer summier, was volgens de klachtencommissie dan ook duidelijk genoeg om klager in staat te stellen de redenen van de beslissing te begrijpen.
De klacht is ongegrond.