Ga verder naar de inhoud

KC32/26-0121

Ongegrond KC - Turnhout Klachtencommissie Voorlopige maatregel Bijzondere veiligheidsmaatregel
VOORLOPIGE MAATREGEL - BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL

Hoewel dit niet uitdrukkelijk blijkt uit het RAD, werd klager overgebracht naar de beveiligde cel en dit in uitvoering van de voorlopige maatregel die de directie ‘s nachts heeft opgelegd. Naast het verblijf in de beveiligde cel werd klager in afwachting van de tuchtrechtelijke hoorzitting alle gevaarlijke en verboden voorwerpen ontnomen, werd hij uitgesloten van deelname aan individuele en gemeenschappelijke activiteiten en werd hij om de zestig minuten geobserveerd gelet op de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. Uit het uitgebreide RAD en de motivering van de voorlopige maatregel blijkt heel duidelijk dat klager vernielingen had aangebracht in zijn cel in die mate dat er glas was gebroken en hij al aan het bloeden was. Daarenboven stelde hij zich heel dreigend op ten aanzien van het personeel en later ook de politie. Volgens de opsteller van het RAD leek klager onder invloed hetgeen lijkt te stroken met zijn eigen uitspraken op dat moment. Door dit incident werd de rust bovendien verstoord op de vleugel. De klachtencommissie besluit dat de voorlopige maatregel noodzakelijk was om in eerste instantie klager zijn eigen fysieke integriteit te beschermen maar ook die van het personeel en de orde op de vleugel te herstellen. Om deze reden is de klacht tegen de voorlopige maatregel ongegrond.

De directeur nam de volgende dag kennis van de twee RAD’s en besliste om een tuchtprocedure op te starten. Uit het dossier blijkt echter dat het niet bij deze twee RAD’s is gebleven. Er werd nog een RAD opgemaakt in de ochtend van 23.06.2026, op de middag, in de vooravond en in de nacht van 23 op 24.06.2026. Tijdens een celcontrole werd de ravage van de afgelopen nacht duidelijk. Heel veel voorwerpen die ter beschikking worden gesteld door de gevangenis, werden beschadigd teruggevonden. Ook werd een waterkoker aangetroffen, gevuld met olie en glasscherven. Ook in de kledij van klager werden glasscherven teruggevonden. Tijdens zijn verblijf in de beveiligde cel is klager ook niet gekalmeerd. Er worden vaststellingen gerapporteerd van geklop op het winket, zeer ernstige bedreigingen met fysieke agressie en het gooien van eten.

Uit het verslag van het horen van de gedetineerde blijkt dat klager wel degelijk werd gehoord door de directie en dat er ook een advocaat aanwezig was. Klager gaf aan dat hij gefrustreerd was door zijn kapotte telefoon. Het volgende moment zag hij oranje mensen verschijnen aan zijn deur en ineens werd hij wakker in de beveiligde cel. Volgens klager was hij rustig waardoor hij terug naar zijn cel wou. Klager ontkende de andere beschadigingen in zijn cel. Op het einde van het gesprek gaf de directie aan dat ze een BVM zou opleggen in plaats van een tuchtsanctie. Ze verduidelijkte aan klager dat ze hem niet in zijn normale doen vond en dat hij eerst moest bewijzen vooraleer hij kon terugkeren naar zijn cel. Ook in het verweer van de directie wordt gesteld dat een tuchtbeslissing niet aan de orde was omdat de directie van oordeel was dat klager niet toerekenbaar was. Er werd vervolgens een BVM opgelegd. De klachtencommissie acht de inschatting dat de toestand van klager een ernstige aanwijzing uitmaakte van een gevaar voor het menswaardig samenlevingsklimaat in de gevangenis en de fysieke integriteit van zichzelf en het personeel correct en afdoende gemotiveerd. Hoewel klager in de nacht van 22 op 23.06.2026 zelf had aangegeven dat hij vollen bak drugs gebruikte maar hij in zijn klacht volhoudt dat hij een psychose doormaakte en een black-out kreeg door verkeerde medicatie, is dit irrelevant voor de noodzaak van de opgelegde BVM. Het personeel en de directie stelden vast dat klager niet in zijn normale doen was en zijn toestandsbeeld was bijzonder verontrustend. Overigens bleef zijn agressieve houding aanhouden desondanks de plaatsing in de beveiligde cel. Volgens de klachtencommissie werd op afdoende wijze de noodzaak van elke opgelegde veiligheidsmaatregel toegelicht en was iedere maatregel gerechtvaardigd en proportioneel. De klachtencommissie oordeelt dat de bijzondere veiligheidsmaatregel wettelijk en gerechtvaardigd was. De klacht is daarom ongegrond. De beslissing blijft bestaan.