Ga verder naar de inhoud

KC33/22-0044

Gegrond KC - Wortel Klachtencommissie Tucht
TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES

De directie moet bij de uitoefening van haar appreciatiebevoegdheid over de tuchtrechtelijke vaststelling van de feiten in het bijzonder rekening houden met het vermoeden van onschuld. Dat is een fundamenteel beginsel van het tuchtrecht. Het beginsel houdt in dat iemand die tuchtrechtelijk wordt vervolgd onschuldig is tot zijn schuld in rechte is komen vast te staan.
De klachtencommissie betreurt dat er na de aanwijzing van de klager door de drugshond geen nader onderzoek gedaan werd, zoals een verzoek tot een speekseltest of een bloedtest, dat onomstotelijk bewijs had kunnen opleveren.
De klachtencommissie treedt klager bij dat de aanwijzing door de drughond alleen niet voldoende bewijs oplevert om klager ervan te beschuldigen dat hij in aanraking geweest is met drugs. Een drughond zoekt aanwijzingen, die daarna best verder kunnen onderzocht worden. Op de cel werden door de drugshond ook geen verboden substanties gevonden, hij reageerde zelfs niet. Een naaktfouille van klager leverde ook geen resultaat op.
Aldus zijn er te weinig elementen om te besluiten dat klager in het bezit was van verboden substanties.
De klacht is gegrond.