Ga verder naar de inhoud

KC33/24-0086

Gegrond KC - Wortel Klachtencommissie Tucht
TUCHT - HUISHOUDELIJK REGLEMENT - MOTIVERING

De klacht betreft een tuchtbeslissing van 08/08/2024 van de directie van de gevangenis.

De tuchtbeslissing is gebaseerd op het RAD van 06/08/2024. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting van 08/08/2024 verklaart klager dat hij tegen de directie heeft gezegd dat er gegraven werd, maar nooit dat hij het was. Klager benadrukt dat hij in een cel zit met medegedetineerden die minder goed Nederlands spreken en die jongens begrepen niet waarom de directie er was. Een medegedetineerde wenste te verklaren dat hij de schuldige was. Klagerbenadrukt dat hij inderdaad heeft verklaard dat hij aan het poetsen was (cfr. het meldingsverslag), maar niet dat hij aan het graven/wrijven/schuren was.

Na het horen van klager werd door de directie een beslissing genomen. Klager kreeg in voorliggende zaak een tuchtsanctie van 7 dagen ATV omdat hij door de directeur schuldig werd bevonden aaneen inbreuk van de tweede categorie “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepaling”.

Wat betreft de tuchtinbreuk ‘het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen’ stelt de klachtencommissie vast dat uit de motivering van de tuchtbeslissing niet blijkt over welke bepaling van het huishoudelijk reglement het precies gaat. De
klachtencommissie benadrukt het belang van de motivering van de beslissingen die genomen worden op basis van de Basiswet. Het is belangrijk dat de gedetineerde op basis van de gegeven motivatie begrijpt wat de beslissing inhoudt en waarom deze werd genomen (BC/22-0012 (BC/22-
0012 - Rechtspraak CTRG (belgium.be)).

Klager kon onmogelijk de precieze draagwijdte kennen van de ten aanzien van hem genomen tuchtbeslissing voor wat betreft deze tuchtinbreuk. Deze tuchtinbreuk kan dan ook niet worden weerhouden. De directie verwijst bovendien in haar tuchtbeslissing naar een ‘navraag bij ons inrichtingshoofd’, maar de klachtencommissie vindt van deze navraag geen bewijs van terug in het tuchtdossier. De klachtencommissie acht dat de directie niet kon oordelen dat de feiten bewezen waren in hoofde van klager. De tuchtbeslissing is dan ook onwettig.
Om deze redenen is de klacht gegrond.