TUCHT - VERMOEDEN VAN ONSCHULD - TEGEMOETKOMING
De klacht betreft een tuchtbeslissing van 02/09/2024 van de directie van de gevangenis.
De tuchtbeslissing is gebaseerd op het RAD van 29/08/2024 (feiten om 17.05 uur). Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting van 02/09/2024 verklaart klager, met bijstand van een advocaat, dat er een haar van hem in het eten van zijn celgenoot zat. Zijn celgenoot is kwaad geworden en heeft een stoel gegooid naar hem. Klager zou zijn celgenoot van zich hebben afgeduwd om zich te verdedigen. Klager beklaagt zich over het feit dat er geen doventolk aanwezig was op de tuchtrechtelijke hoorzitting. Echter, bij de betekening van zijn tuchtuitnodiging heeft betrokkene aangegeven beroep te willen doen op een raadsman. Klager (of diens raadsman) heeft ook niet gevraagd om de zaak uit te stellen tot een latere datum teneinde beroep te doen op een doventolk. Klager kreeg in voorliggende zaak een tuchtsanctie van 7 dagen ATV omdat hij door de directeur schuldig werd bevonden aan “de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee”.
Uit het RAD kan men concluderen dat klager werd aangevallen (met een stoel) door zijn celgenoot. Zo hebben de beambten het ook genoteerd op het RAD. Klager zou een slachtoffer zijn. Klager heeft ook uitgelegd dat hij zijn celgenoot van zich heeft afgeduwd, maar niet geslagen.
Plots wordt een tuchtprocedure gestart tegen klager n.a.v. een handgeschreven verklaring op het RAD van een ‘adviseur van de directeur’. De bemerkingen van de adviseur werden niet gedateerd. Tevens vindt men geen verklaring van de celgenoot van klager in het tuchtdossier terug. Er zijn vervolgens ook geen andere getuigen die verklaren dat klager zijn celgenoot heeft geslagen. De klachtencommissie besluit dat de directeur de tuchtinbreuk niet in redelijkheid en billijkheid kon bewezen verklaren in hoofde van klager. De tuchtsanctie werd in strijd met het vermoeden van onschuld opgelegd. Het loutere feit dat de celgenoot van klager een blauw oog zou hebben en zou verklaard hebben dat klager hem geslagen heeft, volstaat niet als element om automatisch en onmiddellijk een fout van klager op te baseren.
Het tuchtdossier bevat geen bewijs dat klager de fysieke integriteit van personen zou hebben aangetast, of daarmee gedreigd zou hebben.
De tuchtbeslissing is dan ook in strijd met de Basiswet en het vermoeden van onschuld. Om deze redenen is de klacht kennelijk gegrond.
De klachtencommissie kent aan de klager de volgende tegemoetkoming toe: 90 extra belminuten, op te nemen en toe te kennen binnen een termijn van 15 dagen.
De klacht betreft een tuchtbeslissing van 02/09/2024 van de directie van de gevangenis.
De tuchtbeslissing is gebaseerd op het RAD van 29/08/2024 (feiten om 17.05 uur). Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting van 02/09/2024 verklaart klager, met bijstand van een advocaat, dat er een haar van hem in het eten van zijn celgenoot zat. Zijn celgenoot is kwaad geworden en heeft een stoel gegooid naar hem. Klager zou zijn celgenoot van zich hebben afgeduwd om zich te verdedigen. Klager beklaagt zich over het feit dat er geen doventolk aanwezig was op de tuchtrechtelijke hoorzitting. Echter, bij de betekening van zijn tuchtuitnodiging heeft betrokkene aangegeven beroep te willen doen op een raadsman. Klager (of diens raadsman) heeft ook niet gevraagd om de zaak uit te stellen tot een latere datum teneinde beroep te doen op een doventolk. Klager kreeg in voorliggende zaak een tuchtsanctie van 7 dagen ATV omdat hij door de directeur schuldig werd bevonden aan “de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee”.
Uit het RAD kan men concluderen dat klager werd aangevallen (met een stoel) door zijn celgenoot. Zo hebben de beambten het ook genoteerd op het RAD. Klager zou een slachtoffer zijn. Klager heeft ook uitgelegd dat hij zijn celgenoot van zich heeft afgeduwd, maar niet geslagen.
Plots wordt een tuchtprocedure gestart tegen klager n.a.v. een handgeschreven verklaring op het RAD van een ‘adviseur van de directeur’. De bemerkingen van de adviseur werden niet gedateerd. Tevens vindt men geen verklaring van de celgenoot van klager in het tuchtdossier terug. Er zijn vervolgens ook geen andere getuigen die verklaren dat klager zijn celgenoot heeft geslagen. De klachtencommissie besluit dat de directeur de tuchtinbreuk niet in redelijkheid en billijkheid kon bewezen verklaren in hoofde van klager. De tuchtsanctie werd in strijd met het vermoeden van onschuld opgelegd. Het loutere feit dat de celgenoot van klager een blauw oog zou hebben en zou verklaard hebben dat klager hem geslagen heeft, volstaat niet als element om automatisch en onmiddellijk een fout van klager op te baseren.
Het tuchtdossier bevat geen bewijs dat klager de fysieke integriteit van personen zou hebben aangetast, of daarmee gedreigd zou hebben.
De tuchtbeslissing is dan ook in strijd met de Basiswet en het vermoeden van onschuld. Om deze redenen is de klacht kennelijk gegrond.
De klachtencommissie kent aan de klager de volgende tegemoetkoming toe: 90 extra belminuten, op te nemen en toe te kennen binnen een termijn van 15 dagen.