TUCHT - BEWIJS - GETUIGE - RECHT OP TEGENSPRAAK - RECHTEN VAN VERDEDIGING
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen of de bedreiging daarmee, een tuchtinbreuk van eerste categorie. Klager is het in essentie niet eens met de tuchtbeslissing omdat volgens hem de inhoud van het rapport aan de directeur (RAD) niet klopt en omdat de directie geen getuigen heeft gehoord hoewel zijn advocaat dat heeft gevraagd tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting. De klachtencommissie wenst in eerste instantie te benadrukken dat de directie niet verplicht is om getuigen te horen en dus bijkomend onderzoek uit te voeren indien de vaststellingen in het RAD voldoende duidelijk zijn en de gedetineerde geen overtuigende argumenten heeft aangehaald waardoor de waarachtigheid van de vaststellingen in twijfel wordt getrokken. Uit het verweer van de directie blijkt echter dat zij van oordeel was dat klager overtuigende tegenargumenten had aangevoerd waardoor de directie bijkomend onderzoek heeft gedaan en de opsteller van het RAD heeft gehoord, weliswaar buiten de aanwezigheid van klager heeft gehoord. Dit is in strijd met artikel 144, ยง5, vijfde lid van de Basiswet. De klachtencommissie concludeert dat het recht op tegenspraak van klager werd geschonden zodat de tuchtbeslissing in strijd met zijn rechten van verdediging werd opgelegd. Ten overvloede stelt de klachtencommissie vast dat het tuchtdossier verschillende, tegenstrijdige afspraken omtrent het dragen van de kniebrace door klager bevat. De klachtencommissie kan begrip opbrengen dat deze tegenstrijdige richtlijnen voor frustratie hebben gezorgd bij klager. Om deze redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing.
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen of de bedreiging daarmee, een tuchtinbreuk van eerste categorie. Klager is het in essentie niet eens met de tuchtbeslissing omdat volgens hem de inhoud van het rapport aan de directeur (RAD) niet klopt en omdat de directie geen getuigen heeft gehoord hoewel zijn advocaat dat heeft gevraagd tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting. De klachtencommissie wenst in eerste instantie te benadrukken dat de directie niet verplicht is om getuigen te horen en dus bijkomend onderzoek uit te voeren indien de vaststellingen in het RAD voldoende duidelijk zijn en de gedetineerde geen overtuigende argumenten heeft aangehaald waardoor de waarachtigheid van de vaststellingen in twijfel wordt getrokken. Uit het verweer van de directie blijkt echter dat zij van oordeel was dat klager overtuigende tegenargumenten had aangevoerd waardoor de directie bijkomend onderzoek heeft gedaan en de opsteller van het RAD heeft gehoord, weliswaar buiten de aanwezigheid van klager heeft gehoord. Dit is in strijd met artikel 144, ยง5, vijfde lid van de Basiswet. De klachtencommissie concludeert dat het recht op tegenspraak van klager werd geschonden zodat de tuchtbeslissing in strijd met zijn rechten van verdediging werd opgelegd. Ten overvloede stelt de klachtencommissie vast dat het tuchtdossier verschillende, tegenstrijdige afspraken omtrent het dragen van de kniebrace door klager bevat. De klachtencommissie kan begrip opbrengen dat deze tegenstrijdige richtlijnen voor frustratie hebben gezorgd bij klager. Om deze redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing.