Ga verder naar de inhoud

KC33/25-0081

Ongegrond Gegrond KC - Wortel Klachtencommissie Andere beslissing directeur Tucht Fouille op het lichaam
FOUILLE LICHAAM - TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - SANCTIE - ONTSLAG

Klager klaagt aan dat de naaktfouille werd uitgevoerd door het gevangenispersoneel terwijl dit volgens hem eigenlijk door de politie diende te gebeuren. Aangezien de klachtencommissie meent dat de directeur tijdens politionele acties zijn bevoegdheden niet overdraagt, behoudt de directeur ook de bevoegdheid om fouilles op te leggen. Daarenboven heeft de politie geen wettelijke bevoegdheid om fouilles (onderzoek aan de kledij, onderzoek aan het lichaam en onderzoek van de verblijfsruimte) te bevelen in de gevangenis. De Wet op het Politieambt bepaalt limitatief in welke gevallen de politie mag overgaan tot fouilles. Er bestaan drie soorten fouilles die de politie mag uitvoeren: de veiligheidsfouillering, de gerechtelijke fouillering en de fouillering voorafgaand aan de opsluiting in een cel. De klachtencommissie besluit dat de directie wel degelijk gerechtigd was om een naaktfouille op te leggen en dat deze beslissing bovendien gerechtvaardigd was gelet op de concrete individuele aanwijzing dat klager mogelijk in het bezit was van verboden substanties omdat uit het rapport aan de directeur (RAD) blijkt dat de drugshond ging zitten bij klager.
Klager meent verder dat de naaktfouille werd uitgevoerd op een manier die mensonwaardig en vernederend was. Hij zou geen handdoek hebben gekregen en hij moest zich volledig uitkleden in het bijzijn van het gevangenispersoneel. De klachtencommissie stelt vast dat de directie in haar verweer de verklaring van klager heeft weerlegd en zij stelt dat hij wel degelijk een handdoek heeft gekregen tijdens de naaktfouille. Een beambte die aanwezig was tijdens de fouille heeft dit bevestigd tegenover de directie. De klachtencommissie heeft geen redenen om te twijfelen aan deze stelling. Dat klager zich volledig moest ontkleden is nu eenmaal het opzet van een naaktfouille. Om deze redenen meent de klachtencommissie dat de klacht tegen de naaktfouille ongegrond is.

Klager werd vervolgens tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties. Uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt duidelijk dat de gevangenisdirectie zich bij het bewezen verklaren van de feiten heeft gebaseerd op de vaststellingen in het RAD die een bekentenis van klager bevatten. Uit het RAD blijkt duidelijk dat de drugshond van de politie tijdens de controle is gaan zitten ter hoogte van klager. De klachtencommissie meent dat dit een aanwijzing is voor het actueel bezit of het historisch gebruik van drugs door klager. De klachtencommissie stelt vast dat klager deze vaststelling niet betwist. Teneinde te controleren of klager op dat moment ook daadwerkelijk in het bezit was van drugs, werd hij onderworpen aan een naaktfouille. Er werd tijdens de naaktfouille niets gevonden. Op de vraag van een beambte wat dan wel een mogelijke verklaring zou geweest zijn voor de reactie van de drugshond, antwoordde klager dat hij de avond voordien een joint had gerookt. Volgens klager was dit antwoord echter grappend en sarcastisch bedoeld en klopte dit niet. De directie acht deze uitleg van klager echter niet geloofwaardig. De klachtencommissie meent dat dit een correcte beoordeling is. Bekentenissen afleggen “voor de grap”, acht de klachtencommissie ongeloofwaardig. De klachtencommissie besluit dat de directie de tuchtinbreuk in redelijkheid en billijkheid kon toerekenen aan klager.

De klachtencommissie stelt vast dat naast de zeven dagen ATV ook tot het ontslag van klager werd besloten in de tuchtbeslissing. In de motivering van de tuchtbeslissing wordt hierover niets vermeld en in haar aanvullend verweer stelt de directie dat “het ontslag van klager geen tuchtmaatregel betreft en hierover op de tuchtzitting dus ook geen uitspraak is gedaan. De uitspraak van de PA die stelt dat betrokkene ontslagen had moeten worden, betreft louter zijn visie en impliceert niet dat er toen al een beslissing was genomen inzake het werk. Aan klager werd medegedeeld dat dit nog bekeken zou worden, hetgeen ook gebeurde.” Volgens de klachtencommissie klopt het dat de directie tijdens de tuchtzitting enkel de zeven dagen ATV heeft uitgesproken en niet heeft gezegd dat klager was ontslagen. De klachtencommissie leest daarentegen in het verslag van de tuchtzitting niet dat de directie aan klager heeft gezegd dat ze nog zou nadenken over zijn werk. Dat de directie daarna alsnog in de tuchtbeslissing heeft vermeld dat klager is ontslagen, doet de klachtencommissie besluiten dat het ontslag een bijkomende tuchtsanctie is die niet voorzien is in de limitatieve lijst van tuchtsancties van artikel 132 van de Basiswet. Om deze redenen meent de klachtencommissie dat de klacht tegen de tuchtbeslissing gedeeltelijk gegrond is. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing in zoverre klager in de tuchtbeslissing werd ontslagen. Voor het overige blijft de tuchtbeslissing bestaan.

Naast de vermelding in de tuchtbeslissing dat klager is ontslagen, heeft de directie de dag nadien ook een aparte schriftelijke ontslagbeslissing genomen. Klager is het niet eens met deze beslissing omdat hij na de tuchtrechtelijke hoorzitting in de veronderstelling was dat hij niet zou ontslagen worden. De dag nadien kreeg hij alsnog het nieuws dat hij ontslagen was, zonder bijkomende hoorzitting, motivering of kennisgeving vooraf. Aangezien klager tijdens de tuchthoorzitting al had vernomen dat de directie het bezit van drugs bewezen verklaarde en hij hiervoor zeven dagen ATV kreeg, aangezien in de tuchtbeslissing, die aan klager werd betekend, stond dat hij ontslagen was, aangezien hij een vertrouwensfunctie uitoefende én aangezien hij heeft verklaard dat hij recent een joint had gerookt, meent de klachtencommissie dat klager op die manier al op de hoogte moet geweest zijn dat een nadelige beslissing over zijn tewerkstelling zou volgen waardoor de klachtencommissie meent dat de hoorplicht niet van toepassing was. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie geen tegenstrijdige boodschap heeft gegeven op het einde van de tuchtrechtelijke hoorzitting aangezien zij de uitspraak van de PA niet heeft bevestigd, noch ontkend. De klachtencommissie besluit dat de directie rechtmatig tot de beslissing is gekomen om klager te ontslaan uit zijn vertrouwensfunctie na de vaststelling dat hij drugs had gebruikt. Om deze redenen meent de klachtencommissie dat de klacht tegen het ontslag ongegrond is.