TUCHT - BEWIJS - VERMOEDEN VAN ONSCHULD
Het vermoeden van onschuld is een essentieel principe binnen het tuchtrecht. Dit principe vindt toepassing in art. 144, ยง 6 van de Basiswet. De klachtencommissie stelt vast dat klager zowel tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting als in zijn klacht de toerekenbaarheid van de drugs aan hem ten stelligste ontkent. Klager bevond zich op het moment van de feiten op een duocel. Uit het verweer en de bijkomende informatie van de directie blijkt dat, hoewel de advocaat van klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting uitdrukkelijk stelt dat de drugs van de celgenoot van klager waren, die celgenoot zelfs nooit tuchtrechtelijk opgeroepen of gehoord werd. Het enkele feit dat de drugs aan de trede van het trapje naast het hoofdkussen van klager werden gevonden, bewijst volgens de klachtencommissie onvoldoende dat deze ook aan klager toebehoren. De celgenoot van klager kan deze daar eveneens perfect verborgen hebben. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de feiten door de celgenoot van klager niet eens te horen. Uit het tuchtregister van klager blijkt immers dat klager nooit eerder tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd voor het gebruik van of de handel in drugs, hetgeen de directie ook in rekening had moeten nemen bij haar zorgvuldige feitenbevinding.
Ook is er geen sprake van deelneming in hoofde van klager. De Nederlandstalige Beroepscommissie heeft in het kader van de vondst van verboden substanties met betrekking tot de deelneming geoordeeld dat wanneer celgenoten hun betrokkenheid bij de tuchtrechtelijke inbreuk ontkennen, de individuele verantwoordelijkheid van een gedetineerde kan worden vastgesteld op basis van de plaats en de hoeveelheid van de verboden substantie. Wanneer de verboden substantie wordt aangetroffen op een voor de hand liggende plaats kan een gedetineerde mee verantwoordelijk worden geacht. Er is dan sprake van deelneming in de zin van art. 131 van de Basiswet. De klachtencommissie is echter van oordeel dat er geen sprake is van een voor de hand liggende plaats, aangezien de drugs verstopt waren aan de trede van het trapje naast het hoofdkussen van klager. Dit is geen zichtbare plaats of een plaats waar beide celgenoten geregeld zicht op hebben. De klachtencommissie is daarom van oordeel dat er onvoldoende bewijs is om de tuchtinbreuk aan klager toe te wijzen.
De klacht is om deze redenen gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing van 30/12/2025 en draagt de directie op om elk spoor ervan uit het tuchtregister van klager te wissen.
Het vermoeden van onschuld is een essentieel principe binnen het tuchtrecht. Dit principe vindt toepassing in art. 144, ยง 6 van de Basiswet. De klachtencommissie stelt vast dat klager zowel tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting als in zijn klacht de toerekenbaarheid van de drugs aan hem ten stelligste ontkent. Klager bevond zich op het moment van de feiten op een duocel. Uit het verweer en de bijkomende informatie van de directie blijkt dat, hoewel de advocaat van klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting uitdrukkelijk stelt dat de drugs van de celgenoot van klager waren, die celgenoot zelfs nooit tuchtrechtelijk opgeroepen of gehoord werd. Het enkele feit dat de drugs aan de trede van het trapje naast het hoofdkussen van klager werden gevonden, bewijst volgens de klachtencommissie onvoldoende dat deze ook aan klager toebehoren. De celgenoot van klager kan deze daar eveneens perfect verborgen hebben. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de feiten door de celgenoot van klager niet eens te horen. Uit het tuchtregister van klager blijkt immers dat klager nooit eerder tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd voor het gebruik van of de handel in drugs, hetgeen de directie ook in rekening had moeten nemen bij haar zorgvuldige feitenbevinding.
Ook is er geen sprake van deelneming in hoofde van klager. De Nederlandstalige Beroepscommissie heeft in het kader van de vondst van verboden substanties met betrekking tot de deelneming geoordeeld dat wanneer celgenoten hun betrokkenheid bij de tuchtrechtelijke inbreuk ontkennen, de individuele verantwoordelijkheid van een gedetineerde kan worden vastgesteld op basis van de plaats en de hoeveelheid van de verboden substantie. Wanneer de verboden substantie wordt aangetroffen op een voor de hand liggende plaats kan een gedetineerde mee verantwoordelijk worden geacht. Er is dan sprake van deelneming in de zin van art. 131 van de Basiswet. De klachtencommissie is echter van oordeel dat er geen sprake is van een voor de hand liggende plaats, aangezien de drugs verstopt waren aan de trede van het trapje naast het hoofdkussen van klager. Dit is geen zichtbare plaats of een plaats waar beide celgenoten geregeld zicht op hebben. De klachtencommissie is daarom van oordeel dat er onvoldoende bewijs is om de tuchtinbreuk aan klager toe te wijzen.
De klacht is om deze redenen gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing van 30/12/2025 en draagt de directie op om elk spoor ervan uit het tuchtregister van klager te wissen.