ONTSLAG
Een gedetineerde heeft het recht om deel te nemen aan de in de gevangenis beschikbare arbeid. Het is de directeur die instaat voor de toewijzing van deze arbeid en dit aan de gedetineerden die om arbeid hebben verzocht. Ook het ontnemen van werk is een beslissing die in principe toekomt aan de directeur. De Basiswet voorziet niet in een specifieke procedure voor de afzetting van werk van een gedetineerde.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie de ordemaatregel schriftelijk motiveerde. Ook werd voldaan aan de vereiste dat de motivering moet toelaten dat de gedetineerde begrijpt waarom hij niet langer als geschikt wordt beschouwd voor de arbeidspost. Uit het RAD blijkt immers duidelijk dat klager de opdracht kreeg om een diepvries te laten ontdooien, maar deze, na een tweede instructie te hebben gekregen, niet uitvoerde. De klachtencommissie is van oordeel dat het RAD duidelijk werd opgesteld en klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom klager wegens een vertrouwensbreuk uit deze vertrouwensfunctie wordt ontslagen.
De klachtencommissie merkt op dat uit de ontslagbeslissing blijkt dat klager pas één maand later een nieuw werkverzoek mag indienen. De richtlijnen van de Directie Juridische Dienst van 28 november 2024 over “Arbeid – tucht – veiligheidsmaatregel” bepalen echter uitdrukkelijk dat in het geval van 2.1, zoals in dossier zich voordoet, de gedetineerde onmiddellijk een nieuwe werkaanvraag moet kunnen doen die door de directeur wordt beoordeeld. De ontslagbeslissing is bijgevolg op dit punt onwettig. De klachtencommissie vernietigt de bestreden ontslagbeslissing voor zover zij stelt: “Periode/nieuw verzoek mogelijk vanaf 19/09/2025”. De klachtencommissie beveelt dat de gedetineerde onmiddellijk een nieuwe werkaanvraag kan doen die door de directeur wordt beoordeeld.
Een gedetineerde heeft het recht om deel te nemen aan de in de gevangenis beschikbare arbeid. Het is de directeur die instaat voor de toewijzing van deze arbeid en dit aan de gedetineerden die om arbeid hebben verzocht. Ook het ontnemen van werk is een beslissing die in principe toekomt aan de directeur. De Basiswet voorziet niet in een specifieke procedure voor de afzetting van werk van een gedetineerde.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie de ordemaatregel schriftelijk motiveerde. Ook werd voldaan aan de vereiste dat de motivering moet toelaten dat de gedetineerde begrijpt waarom hij niet langer als geschikt wordt beschouwd voor de arbeidspost. Uit het RAD blijkt immers duidelijk dat klager de opdracht kreeg om een diepvries te laten ontdooien, maar deze, na een tweede instructie te hebben gekregen, niet uitvoerde. De klachtencommissie is van oordeel dat het RAD duidelijk werd opgesteld en klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom klager wegens een vertrouwensbreuk uit deze vertrouwensfunctie wordt ontslagen.
De klachtencommissie merkt op dat uit de ontslagbeslissing blijkt dat klager pas één maand later een nieuw werkverzoek mag indienen. De richtlijnen van de Directie Juridische Dienst van 28 november 2024 over “Arbeid – tucht – veiligheidsmaatregel” bepalen echter uitdrukkelijk dat in het geval van 2.1, zoals in dossier zich voordoet, de gedetineerde onmiddellijk een nieuwe werkaanvraag moet kunnen doen die door de directeur wordt beoordeeld. De ontslagbeslissing is bijgevolg op dit punt onwettig. De klachtencommissie vernietigt de bestreden ontslagbeslissing voor zover zij stelt: “Periode/nieuw verzoek mogelijk vanaf 19/09/2025”. De klachtencommissie beveelt dat de gedetineerde onmiddellijk een nieuwe werkaanvraag kan doen die door de directeur wordt beoordeeld.