Ga verder naar de inhoud

KC34/25-0037

Gegrond KC - Hoogstraten Klachtencommissie Tucht
TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - VERMOEDEN VAN ONSCHULD

De klacht gaat over een tuchtbeslissing van 28/11/2025 van de directie van de gevangenis van Hoogstraten.

De directie heeft een tuchtsanctie opgelegd van 3 dagen ATV voor de inbreuk van de eerste categorie “het bezit of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”.

Klager ontkent in het bezit te zijn van een verboden substantie. De klachtencommissie stelt vast dat de directie er zondermeer vanuit is gegaan dat klager in het bezit was of in verboden substanties handelde. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie zich niet louter op de “aanwijzingen” door de drugshonden kon baseren om te besluiten dat klager in het bezit was van verboden substanties, maar dat de directie nader onderzoek had moeten doen dat verder bewijs had kunnen opleveren. Zowel de naaktfouille en de celcontrole nadien waren negatief. Er waren verder geen elementen waaruit het bestaan van de substantie en het verboden karakter van de substantie moet blijken. De directie geeft in de tuchtbeslissing aan dat de reactie van de drugshond op een duurzaam contact met een ‘vermoedelijke’ substantie kan wijzen.

Hoewel drugshonden over een getraind reukorgaan beschikken, kan immers sprake zijn van zgn. secondary transfer van de geur. Ook kan van een vals positieve melding sprake zijn. De reactie van de drugshond kan slechts een vermoeden opleveren van de aanwezigheid van drugs en een aanleiding zijn om nader onderzoek te voeren, maar vormt op zichzelf geen bewijs van aanwezigheid van drugs.

De verdere fouillering van klager en de celcontrole bleken negatief en leverden geen bewijs op voor het bewezen verklaren van de feiten. De directie kon zich dus niet enkel baseren op de aanwijzingen door drugshonden om klager te sanctioneren. Om deze redenen is de klacht gegrond.