KC34/26-0003
Ongegrond
KC - Hoogstraten
Klachtencommissie
Fouille op het lichaam
FOUILLERING - UITVOERING
De klacht gaat over de beslissing tot fouillering op het lichaam.
De klachtencommissie is vooreerst van oordeel dat uit de motivering van de fouillering op het lichaam duidelijk blijkt wat de individuele aanwijzingen zijn om te vermoeden dat een gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn, aangezien beambten hadden opgemerkt dat klager, die in functie van een controle aan de verblijfsruimte werd overgebracht naar het transferlokaal, iets leek weg te steken in zijn broek. De klachtencommissie is daarnaast van oordeel dat de directie voldoende specifiek heeft uitgelegd waarom een onderzoek aan de kledij niet kan volstaan om deze voorwerpen of substanties effectief te vinden.
Uit het verweer van de directie blijkt dat de directie naar aanleiding van de klacht navraag heeft gedaan bij de beambten over het verloop van de fouillering en hieruit blijkt dat aan klager weldegelijk een handdoek ter beschikking werd gesteld en hem geenszins gevraagd werd om te hurken. Uit de klacht van klager blijkt bovendien dat hij niet ontkent uiteindelijk een handdoek te hebben gekregen – weliswaar volgens klager pas op zijn vraag – en ook niet effectief heeft moeten hurken. De klachtencommissie is van oordeel dat klager niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij effectief geen handdoek zou hebben gekregen of gehurkt zou hebben.
De klacht gaat over de beslissing tot fouillering op het lichaam.
De klachtencommissie is vooreerst van oordeel dat uit de motivering van de fouillering op het lichaam duidelijk blijkt wat de individuele aanwijzingen zijn om te vermoeden dat een gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn, aangezien beambten hadden opgemerkt dat klager, die in functie van een controle aan de verblijfsruimte werd overgebracht naar het transferlokaal, iets leek weg te steken in zijn broek. De klachtencommissie is daarnaast van oordeel dat de directie voldoende specifiek heeft uitgelegd waarom een onderzoek aan de kledij niet kan volstaan om deze voorwerpen of substanties effectief te vinden.
Uit het verweer van de directie blijkt dat de directie naar aanleiding van de klacht navraag heeft gedaan bij de beambten over het verloop van de fouillering en hieruit blijkt dat aan klager weldegelijk een handdoek ter beschikking werd gesteld en hem geenszins gevraagd werd om te hurken. Uit de klacht van klager blijkt bovendien dat hij niet ontkent uiteindelijk een handdoek te hebben gekregen – weliswaar volgens klager pas op zijn vraag – en ook niet effectief heeft moeten hurken. De klachtencommissie is van oordeel dat klager niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij effectief geen handdoek zou hebben gekregen of gehurkt zou hebben.