VOORLOPIGE MAATREGEL - MOTIVERING - HANDTEKENING
De beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel moet met redenen zijn omkleed. Dit houdt in dat deze beslissing de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan die beslissing ten grondslag liggen. Deze motivering moet afdoende zijn. De motivering van de beslissing die de voorlopige maatregel oplegt, laat niet toe te beoordelen of de feiten die aanleiding hebben gegeven tot die maatregel worden gekwalificeerd als een ‘ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid’ dan wel als een ‘gevaar voor de orde of de veiligheid’. De beslissing kwalificeert de feiten die in het rapport aan de directeur werden vermeld, zowel als een ‘ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid’ als een ‘gevaar voor de orde of de veiligheid’. In beide luiken van het model worden de feiten van het rapport aan de directeur vermeld. De in artikel 112, § 1, 1°, 2° en 3° bedoelde maatregelen worden tweemaal aangestipt, zowel in het luik bedoeld voor het geval waarin toepassing wordt gemaakt van het eerste lid van artikel 145, §1, als in het geval waarin toepassing wordt gemaakt van het tweede lid van artikel 145, §1. Op die wijze laat de motivering van de beslissing niet toe te beoordelen of de bedoelde feiten werden gekwalificeerd als een ‘louter’ ‘gevaar voor de orde of de veiligheid’ – in welk geval niet tot onderbrenging in een beveiligde cel kan worden besloten – dan wel als een ‘ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid’. Dit is des te meer het geval omdat de loutere korte beschrijving van de feiten evenmin toelaat eenvoudig te besluiten tot de ene of andere kwalificatie.
De beslissing werd ondertekend ‘in opdracht’ met vermelding van een naam die geen naam van een directeur is. Artikel 145, §1, van de basiswet vereist dat de directeur de beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel neemt. Zelfs indien zou worden aangenomen dat wanneer de situatie van gevaar geen enkel uitstel duldt, ook andere personeelsleden van de gevangenis de beslissing kunnen nemen – zoals de collectieve brief nr. 124 van 6 september 2013 (‘Tuchtregime van gedetineerden’) veronderstelt, wellicht naar analogie van wat artikel 110, §3, van de basiswet bepaalt voor het opleggen van een voorlopige bijzondere veiligheidsmaatregel, maar zonder dat dit in artikel 145 van de basiswet is bepaald – moet worden vastgesteld dat uit de beslissing niet blijkt dat onmiddellijk kennis aan de directeur werd gegeven, noch dat een directeur na die kennisgeving de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel nam. Dit valt des te meer op aangezien de feiten zich volgens het rapport aan de directeur om 6.50 uur voordeden, de voorlopige maatregel een aanvang nam om 6.55 uur en de formele beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel om 13.30 uur werd genomen.
De klachtencommissie vernietigde terecht de bestreden beslissing.
De beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel moet met redenen zijn omkleed. Dit houdt in dat deze beslissing de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan die beslissing ten grondslag liggen. Deze motivering moet afdoende zijn. De motivering van de beslissing die de voorlopige maatregel oplegt, laat niet toe te beoordelen of de feiten die aanleiding hebben gegeven tot die maatregel worden gekwalificeerd als een ‘ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid’ dan wel als een ‘gevaar voor de orde of de veiligheid’. De beslissing kwalificeert de feiten die in het rapport aan de directeur werden vermeld, zowel als een ‘ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid’ als een ‘gevaar voor de orde of de veiligheid’. In beide luiken van het model worden de feiten van het rapport aan de directeur vermeld. De in artikel 112, § 1, 1°, 2° en 3° bedoelde maatregelen worden tweemaal aangestipt, zowel in het luik bedoeld voor het geval waarin toepassing wordt gemaakt van het eerste lid van artikel 145, §1, als in het geval waarin toepassing wordt gemaakt van het tweede lid van artikel 145, §1. Op die wijze laat de motivering van de beslissing niet toe te beoordelen of de bedoelde feiten werden gekwalificeerd als een ‘louter’ ‘gevaar voor de orde of de veiligheid’ – in welk geval niet tot onderbrenging in een beveiligde cel kan worden besloten – dan wel als een ‘ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid’. Dit is des te meer het geval omdat de loutere korte beschrijving van de feiten evenmin toelaat eenvoudig te besluiten tot de ene of andere kwalificatie.
De beslissing werd ondertekend ‘in opdracht’ met vermelding van een naam die geen naam van een directeur is. Artikel 145, §1, van de basiswet vereist dat de directeur de beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel neemt. Zelfs indien zou worden aangenomen dat wanneer de situatie van gevaar geen enkel uitstel duldt, ook andere personeelsleden van de gevangenis de beslissing kunnen nemen – zoals de collectieve brief nr. 124 van 6 september 2013 (‘Tuchtregime van gedetineerden’) veronderstelt, wellicht naar analogie van wat artikel 110, §3, van de basiswet bepaalt voor het opleggen van een voorlopige bijzondere veiligheidsmaatregel, maar zonder dat dit in artikel 145 van de basiswet is bepaald – moet worden vastgesteld dat uit de beslissing niet blijkt dat onmiddellijk kennis aan de directeur werd gegeven, noch dat een directeur na die kennisgeving de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel nam. Dit valt des te meer op aangezien de feiten zich volgens het rapport aan de directeur om 6.50 uur voordeden, de voorlopige maatregel een aanvang nam om 6.55 uur en de formele beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel om 13.30 uur werd genomen.
De klachtencommissie vernietigde terecht de bestreden beslissing.