Ga verder naar de inhoud

BC/22-0191

Gegrond Beroepscommissie Beroepscommissie Andere beslissing directeur
ANDERE BESLISSING DIRECTEUR - KANTINE - ONTVANKELIJKHEID - RECHTSGEVOLG VAN GEGRONDHEID

Overeenkomstig artikel 148 van de basiswet kan een gedetineerde bij de klachtencommissie beklag doen over elke beslissing die door of namens de directeur ten aanzien van hem werd genomen. De in deze bepaling bedoelde beslissing is elke beslissing, door of namens de directeur genomen, die betrekking heeft op de rechtspositie van de individuele gedetineerde binnen de gevangenis of op zijn bejegening binnen de gevangenis. Een klacht is ontvankelijk niet alleen wanneer zij gericht is tegen een beslissing die de directeur zelf heeft genomen (‘beslissing door de directeur’), maar ook wanneer zij gericht is tegen een beslissing die werd genomen door een dienst die van de penitentiaire inrichting deel uitmaakt en waarvoor de directie de verantwoordelijkheid draagt (‘beslissing namens de directeur’).
De kantinedienst is een dienst die deel uitmaakt van de penitentiaire inrichting die overeenkomstig het huishoudelijk reglement en onder de verantwoordelijkheid van de directie gebruiks- en verbruiksgoederen aan de gedetineerden verschaft. De afrekening van de bestelde gebruiks- en verbruiksgoederen maakt een inherent deel uit van de werking van de kantinedienst. De afrekening die de kantinedienst ten aanzien van een gedetineerde opstelt voor de goederen die deze gedetineerde bij de kantinedienst heeft besteld, is dan ook een beslissing namens de directie ten aanzien van deze individuele gedetineerde en valt onder het bereik van het beklagrecht.
Dit is des te meer het geval wanneer de klager aan de directie een brief schreef waarin het probleem met de afrekening werd gesignaleerd, maar waarop geen antwoord van de directie volgde. Op die wijze verzuimde de directie ook binnen een redelijke termijn een beslissing te nemen. Ook tijdens de beklagprocedure volgde geen antwoord van de directie. De directie beperkte zich ertoe aan te voeren dat de klacht niet ontvankelijk was bij gebrek aan beslissing van de directie.
De vergissing die door de verrekening van een niet-uitgevoerde bestelling werd begaan, moet worden rechtgezet. Overeenkomstig de artikelen 158, §4, eerste lid, en 162, §3, van de basiswet worden de gevolgen van de vernietigde beslissing voor zover mogelijk door de directeur ongedaan gemaakt, dan wel in overeenstemming met de uitspraak van de beroepscommissie gebracht. De gevolgen van de onterechte niet-teruggave van de niet-uitgevoerde bestelling worden ongedaan gemaakt door de rekening van de klager te crediteren met het nog niet teruggeven bedrag.