TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES
Bij de uitoefening van zijn appreciatiebevoegdheid inzake de tuchtrechtelijke kwalificatie van de feiten dient de directeur in het bijzonder rekening te houden met het vermoeden van onschuld als een fundamenteel beginsel van het tuchtrecht. Het houdt in dat eenieder tegen wie een tuchtvervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.
In die zin bepaalt artikel 144, § 6, tweede lid, van de basiswet dat “de gedetineerde alleen schuldig kan worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde schuldig acht”.
De klachtencommissie oordeelde terecht dat de directeur zich baseerde op een voldoende duidelijk RAD, terwijl klager louter hypothetische tegenindicaties aanlevert.
Hoewel klager een verklaring van een wasserijmedewerker neerlegde op de zitting van de klachtencommissie, merkt de beroepscommissie op dat deze mogelijk op verzoek van klager werd opgesteld om twijfel te doen rijzen omtrent de vaststellingen van het personeelslid in het RAD.
De directeur toonde in haar verweer voor de klachtencommissie evenwel genoegzaam aan dat de verklaringen van de medegedetineerde het voldoende duidelijk RAD niet kunnen onderuit halen.
De directeur benadrukte in het bijzonder dat het verzamelen van de was die naar de wasserij gaat, alsook de beweging naar de wasserij, in aanwezigheid van het personeel gebeurt. Waszakken worden aldus niet meer geopend na ophaling en pas opnieuw geopend in de wasserij.
De uitleg van klager en zijn getuige, alsof iemand de verboden substantie in de wasbak zou gelegd hebben net voor de zak mogelijk in de was beland, werd terecht niet als voldoende geloofwaardig bevonden door de directie.
Bij de uitoefening van zijn appreciatiebevoegdheid inzake de tuchtrechtelijke kwalificatie van de feiten dient de directeur in het bijzonder rekening te houden met het vermoeden van onschuld als een fundamenteel beginsel van het tuchtrecht. Het houdt in dat eenieder tegen wie een tuchtvervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.
In die zin bepaalt artikel 144, § 6, tweede lid, van de basiswet dat “de gedetineerde alleen schuldig kan worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde schuldig acht”.
De klachtencommissie oordeelde terecht dat de directeur zich baseerde op een voldoende duidelijk RAD, terwijl klager louter hypothetische tegenindicaties aanlevert.
Hoewel klager een verklaring van een wasserijmedewerker neerlegde op de zitting van de klachtencommissie, merkt de beroepscommissie op dat deze mogelijk op verzoek van klager werd opgesteld om twijfel te doen rijzen omtrent de vaststellingen van het personeelslid in het RAD.
De directeur toonde in haar verweer voor de klachtencommissie evenwel genoegzaam aan dat de verklaringen van de medegedetineerde het voldoende duidelijk RAD niet kunnen onderuit halen.
De directeur benadrukte in het bijzonder dat het verzamelen van de was die naar de wasserij gaat, alsook de beweging naar de wasserij, in aanwezigheid van het personeel gebeurt. Waszakken worden aldus niet meer geopend na ophaling en pas opnieuw geopend in de wasserij.
De uitleg van klager en zijn getuige, alsof iemand de verboden substantie in de wasbak zou gelegd hebben net voor de zak mogelijk in de was beland, werd terecht niet als voldoende geloofwaardig bevonden door de directie.