BC/22-0223
Ongegrond
Gegrond
Beroepscommissie
Beroepscommissie
Andere beslissing directeur
Geen beslissing directeur
KLEDIJ - BIJSTAND ADVOCAAT - VRIJE TIJD - REKENINGEN - ONTVANKELIJKHEID
(1) De bepaling bedoeld in artikel 148 van de basiswet is elke beslissing , door of namens de directeur genomen, die betrekking heeft op de rechtspositie van de individuele gedetineerde binnen de gevangenis of op zijn bejegening binnen de gevangenis. Een klacht is ontvankelijk niet alleen wanneer zij gericht is tegen een beslissing die de directeur zelf heeft genomen (‘beslissing door de directeur’), maar ook wanneer zij gericht is tegen een beslissing die werd genomen door een dienst die van de penitentiaire inrichting deel uitmaakt en waarvoor de directie de verantwoordelijkheid draagt (‘beslissing namens de directeur’). Een gedetineerde kan dan ook beklag indienen tegen een beslissing die de dienst ‘kleedkamer’ neemt over het aantal stukken kledij dat hij moet deponeren omdat anders het maximum aantal stukken kledij zou zijn overschreden. De klacht is dan ook ontvankelijk.
De directie antwoordde niet op de brief van de klager waarin hij aantoonde dat hij ten onrechte een aantal kledingstukken moest deponeren. De directie verduidelijkt ook niet hoe of waarom de klager zich zou hebben vergist. Alle gegevens samengenomen maakt de klager voldoende aannemelijk dat hij ten onrechte niet in het bezit werd gesteld van die kledingstukken. De klacht is gegrond.
(2) Het loutere feit dat aan de klager niet meteen een nieuwe advocaat werd toegewezen, doet niet veronderstellen dat door of namens de directie verzuimd werd zijn vraag tot aanstelling van een pro deo-advocaat te behandelen. Bij gebrek aan beslissing of aan verzuim om een beslissing te nemen, verklaarde de klachtencommissie de klacht terecht niet-ontvankelijk.
(3) De klacht is gericht tegen de mededeling van de directie aan de gedetineerden dat het activiteitenaanbod wegens de zomervakantie en de lage personeelsbezitting wordt beperkt. De activiteiten die zouden doorgaan in een ander paviljoen dan het paviljoen waarin de gedetineerde verblijft, gaan niet meer door. Op paviljoen E, waar geen aangepaste fitnessruimte is, is er daardoor geen fitness meer.
De klacht is gericht tegen een algemene regel zonder dat blijkt dat deze algemene regel afbreuk doet aan een individueel recht dat de klager aan hogere rechtsnormen ontleent. Artikel 79, §1, van de basiswet waarborgt weliswaar dat de gedetineerde recht heeft op lichamelijke oefeningen en sport gedurende ten minste twee uren in de week. De loutere onmogelijkheid om te fitnessen houdt op zichzelf nog niet in dat aan de gedetineerde niet de mogelijkheid wordt geboden gedurende ten minste twee uren in de week lichamelijke oefeningen te doen en sport te beoefenen. De klachtencommissie verklaarde de klacht dan ook terecht niet-ontvankelijk.
(4) De beslissing bedoeld in artikel 148 van de basiswet is elke beslissing, door of namens de directeur genomen, die betrekking heeft op de rechtspositie van de individuele gedetineerde binnen de gevangenis of op zijn bejegening binnen de gevangenis. Een gedetineerde kan dus ook een ontvankelijk beklag indienen tegen het verzuim of de weigering van de directie om een beslissing te nemen die betrekking heeft op zijn rechtspositie binnen de gevangenis of op zijn bejegening binnen de gevangenis, wanneer op de directie de verplichting rust tot het nemen van een beslissing. Op de directie kan een dergelijke verplichting rusten op grond van een wettelijke of reglementaire bepaling die uitdrukkelijk aan de directie oplegt een beslissing te nemen. Een dergelijke verplichting kan ook bestaan wanneer, rekening houdend met alle omstandigheden, de directie een beslissing had moeten nemen om de rechten van de gedetineerde en een menswaardige detentie te waarborgen. De loutere vaststelling dat een bepaalde praktijk ten aanzien van alle gedetineerden in een afdeling wordt toegepast, brengt nog niet mee dat de klager zich niet kan beklagen over het verzuim van de directie om een beslissing te nemen die noodzakelijk is om zijn rechten te waarborgen. De klacht is dan ook principieel ontvankelijk.
Artikel 46, §3, van de basiswet bepaalt dat het inrichtingshoofd en de personen die instaan voor het beheer van de individuele rekening van de gedetineerde tot een discretieplicht gehouden zijn. De klacht is gericht tegen het feit dat op de afdeling van de klager het rekeninguittreksel wordt afgedrukt en afgegeven op zo een wijze dat de penitentiaire beambten in de rekening inzage hebben. De klager bracht dit terecht bij de directie ter sprake en de directie nam binnen een redelijke termijn na ontvangst van de vraag de beslissing die de naleving van de discretieplicht zoals bedoeld in artikel 46, §3, van de basiswet waarborgt. De klager ging dan ook voorbarig over tot het indienen van een klacht. De klacht is ongegrond.
(1) De bepaling bedoeld in artikel 148 van de basiswet is elke beslissing , door of namens de directeur genomen, die betrekking heeft op de rechtspositie van de individuele gedetineerde binnen de gevangenis of op zijn bejegening binnen de gevangenis. Een klacht is ontvankelijk niet alleen wanneer zij gericht is tegen een beslissing die de directeur zelf heeft genomen (‘beslissing door de directeur’), maar ook wanneer zij gericht is tegen een beslissing die werd genomen door een dienst die van de penitentiaire inrichting deel uitmaakt en waarvoor de directie de verantwoordelijkheid draagt (‘beslissing namens de directeur’). Een gedetineerde kan dan ook beklag indienen tegen een beslissing die de dienst ‘kleedkamer’ neemt over het aantal stukken kledij dat hij moet deponeren omdat anders het maximum aantal stukken kledij zou zijn overschreden. De klacht is dan ook ontvankelijk.
De directie antwoordde niet op de brief van de klager waarin hij aantoonde dat hij ten onrechte een aantal kledingstukken moest deponeren. De directie verduidelijkt ook niet hoe of waarom de klager zich zou hebben vergist. Alle gegevens samengenomen maakt de klager voldoende aannemelijk dat hij ten onrechte niet in het bezit werd gesteld van die kledingstukken. De klacht is gegrond.
(2) Het loutere feit dat aan de klager niet meteen een nieuwe advocaat werd toegewezen, doet niet veronderstellen dat door of namens de directie verzuimd werd zijn vraag tot aanstelling van een pro deo-advocaat te behandelen. Bij gebrek aan beslissing of aan verzuim om een beslissing te nemen, verklaarde de klachtencommissie de klacht terecht niet-ontvankelijk.
(3) De klacht is gericht tegen de mededeling van de directie aan de gedetineerden dat het activiteitenaanbod wegens de zomervakantie en de lage personeelsbezitting wordt beperkt. De activiteiten die zouden doorgaan in een ander paviljoen dan het paviljoen waarin de gedetineerde verblijft, gaan niet meer door. Op paviljoen E, waar geen aangepaste fitnessruimte is, is er daardoor geen fitness meer.
De klacht is gericht tegen een algemene regel zonder dat blijkt dat deze algemene regel afbreuk doet aan een individueel recht dat de klager aan hogere rechtsnormen ontleent. Artikel 79, §1, van de basiswet waarborgt weliswaar dat de gedetineerde recht heeft op lichamelijke oefeningen en sport gedurende ten minste twee uren in de week. De loutere onmogelijkheid om te fitnessen houdt op zichzelf nog niet in dat aan de gedetineerde niet de mogelijkheid wordt geboden gedurende ten minste twee uren in de week lichamelijke oefeningen te doen en sport te beoefenen. De klachtencommissie verklaarde de klacht dan ook terecht niet-ontvankelijk.
(4) De beslissing bedoeld in artikel 148 van de basiswet is elke beslissing, door of namens de directeur genomen, die betrekking heeft op de rechtspositie van de individuele gedetineerde binnen de gevangenis of op zijn bejegening binnen de gevangenis. Een gedetineerde kan dus ook een ontvankelijk beklag indienen tegen het verzuim of de weigering van de directie om een beslissing te nemen die betrekking heeft op zijn rechtspositie binnen de gevangenis of op zijn bejegening binnen de gevangenis, wanneer op de directie de verplichting rust tot het nemen van een beslissing. Op de directie kan een dergelijke verplichting rusten op grond van een wettelijke of reglementaire bepaling die uitdrukkelijk aan de directie oplegt een beslissing te nemen. Een dergelijke verplichting kan ook bestaan wanneer, rekening houdend met alle omstandigheden, de directie een beslissing had moeten nemen om de rechten van de gedetineerde en een menswaardige detentie te waarborgen. De loutere vaststelling dat een bepaalde praktijk ten aanzien van alle gedetineerden in een afdeling wordt toegepast, brengt nog niet mee dat de klager zich niet kan beklagen over het verzuim van de directie om een beslissing te nemen die noodzakelijk is om zijn rechten te waarborgen. De klacht is dan ook principieel ontvankelijk.
Artikel 46, §3, van de basiswet bepaalt dat het inrichtingshoofd en de personen die instaan voor het beheer van de individuele rekening van de gedetineerde tot een discretieplicht gehouden zijn. De klacht is gericht tegen het feit dat op de afdeling van de klager het rekeninguittreksel wordt afgedrukt en afgegeven op zo een wijze dat de penitentiaire beambten in de rekening inzage hebben. De klager bracht dit terecht bij de directie ter sprake en de directie nam binnen een redelijke termijn na ontvangst van de vraag de beslissing die de naleving van de discretieplicht zoals bedoeld in artikel 46, §3, van de basiswet waarborgt. De klager ging dan ook voorbarig over tot het indienen van een klacht. De klacht is ongegrond.