TUCHT - BEWIJS - SCHADE
De beroepscommissie stelt vast dat de klachtencommissie het nodig achtte om tot tweemaal toe een zitting te organiseren omdat volgens haar nader onderzoek vereist was.
Nochtans bevatte het administratief dossier een duidelijke foto, een helder opgesteld RAD -waarin reeds sprake is van een impact- , alsook celstaten waaruit blijkt dat er aanvankelijk geen schade was vastgesteld aan het raam. Bovendien verblijft klager op een monocel, zodat de impact niet door een andere gedetineerde kan zijn veroorzaakt.
Uit de lezing van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt in het bijzonder dat klager er in eerste instantie op wees dat er al schade was vastgesteld aan het raam door een PBA, hetgeen de directie ertoe aanzette om de celstaten op te vragen. Dergelijk standpunt strookt niet met zijn navolgend verweer voor de klachtencommissie, waarin klager het geweer van schouder verandert en stelt dat er geen bewijs is dat hij de schade heeft veroorzaakt (aldus erkentelijk voor het feit dat de celstaten voor zich spreken).
De beroepscommissie is bijgevolg van oordeel dat het voorliggende tuchtdossier op zich reeds voldoende feitelijke informatie bevatte, op grond waarvan de directie kon oordelen dat de betrokkenheid van klager bij hetgeen waarvoor hij gestraft wordt aannemelijk is.
De beroepscommissie stelt vast dat de klachtencommissie het nodig achtte om tot tweemaal toe een zitting te organiseren omdat volgens haar nader onderzoek vereist was.
Nochtans bevatte het administratief dossier een duidelijke foto, een helder opgesteld RAD -waarin reeds sprake is van een impact- , alsook celstaten waaruit blijkt dat er aanvankelijk geen schade was vastgesteld aan het raam. Bovendien verblijft klager op een monocel, zodat de impact niet door een andere gedetineerde kan zijn veroorzaakt.
Uit de lezing van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt in het bijzonder dat klager er in eerste instantie op wees dat er al schade was vastgesteld aan het raam door een PBA, hetgeen de directie ertoe aanzette om de celstaten op te vragen. Dergelijk standpunt strookt niet met zijn navolgend verweer voor de klachtencommissie, waarin klager het geweer van schouder verandert en stelt dat er geen bewijs is dat hij de schade heeft veroorzaakt (aldus erkentelijk voor het feit dat de celstaten voor zich spreken).
De beroepscommissie is bijgevolg van oordeel dat het voorliggende tuchtdossier op zich reeds voldoende feitelijke informatie bevatte, op grond waarvan de directie kon oordelen dat de betrokkenheid van klager bij hetgeen waarvoor hij gestraft wordt aannemelijk is.