Ga verder naar de inhoud

BC/24-0090

Ongegrond Beroepscommissie Beroepscommissie Ordemaatregel
ORDEMAATREGEL – ONTSLAG

Klager heeft oorspronkelijk klacht ingediend tegen de ordemaatregel waarbij hij werd afgezet van zijn functie als fatik op sectie.

Vooreerst wenst de beroepscommissie te stellen dat het oplopen van een tuchtsanctie voor feiten gepleegd tijdens de arbeid niet per definitie een grond zijn voor de afzetting van werk. Dit zou verkeerdelijk uit de verwoording van de ordemaatregel kunnen afgeleid worden. Iedere afzetting van werk dient, in het licht van de concrete omstandigheden, geëvalueerd te worden.

Klager handelde vanuit de perceptie dat hij zou kunnen vermijden dat een medegedetineerde zou overgaan tot bepaalde agressiedaden ten aanzien van het personeel. Klager heeft dit meermaals
aangegeven aan het personeel, maar had niet het gevoel dat er hier iets mee gebeurde.

Klager pleegde bewust een tuchtinbreuk, alwaar hij een tuchtsanctie voor opgelegd kreeg die hij onmiddellijk aanvaardde. De beroepscommissie is het met de directie eens dat klager
gesanctioneerd moest worden omwille van de bewuste schending van de interne huishoudelijke reglementen, doch kan de directie niet bijtreden daar waar zij onderhavige feiten kwalificeert als een
misbruik van zijn vertrouwensfunctie die een afzetting van zijn werk verantwoordt.

De beroepscommissie acht, in navolging van de klachtencommissie, de afzetting van het werk onredelijk gelet op de situatieschets die klager in zijn initiële klacht en ter zitting voor de klachtencommissie gaf.