FOUILLERING OP HET LICHAAM - ONTVANKELIJKHEID - UITVOERING - POLITIE - DRUGSHOND
Het beroep is gericht tegen de beslissing van de klachtencommissie , in de mate dat de klacht met betrekking tot de fouillering op het lichaam ontvankelijk werd verklaard.
Naar aanleiding van een politieactie met drugshonden in de gevangenis van Beveren, werd klager door de betrokken (Federale) politieagenten onderworpen aan een fouillering op het lichaam.
Op grond van artikel 28 §3 WPA kunnen politieambtenaren overgaan tot een fouillering op het lichaam voorafgaand aan het opsluiten in een cel, waaronder wordt verstaan een kamer die (extra muros) wordt gebruikt om de betrokkene vast te houden, in het kader van een gerechtelijke of bestuurlijke aanhouding.
Deze zgn. ‘insluitingsfouillering’ vindt evenwel geen toepassing meer van zodra de betrokkene is overgebracht naar gevangenis of penitentiaire instelling, “omdat de betrokkene in dat geval overgedragen wordt aan de penitentiaire ambtenaren en voor hen een afzonderlijke regeling geldt”.
Vanaf dan geldt de bijzondere wettelijke regeling inzake fouillering in de strafinrichtingen door penitentiair bewakingspersoneel (artikel 108 van de basiswet), op grond van een administratieve beslissing door de directeur van de betrokken gevangenis.
Er blijkt geen bijkomende wettelijke grondslag voorhanden voor het uitvoeren van een fouillering op het lichaam door de politie in de gevangenis, wanneer diens drugshond wordt ingezet om de drugs op te sporen en de gedetineerde aan te wijzen.
Een specifieke wettelijke basis voor de politie in het bedoelde geval is afwezig, terwijl de fouillering op het lichaam een aantasting van de lichamelijke integriteit van de gedetineerde inhoudt en een inmenging in de uitoefening van het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op bescherming van het privéleven, slechts geoorloofd is als dit bij wet is voorzien.
Het Samenwerkingsakkoord waar het inrichtingshoofd naar verwijst, levert hoogstens de grond voor de politie om de penitentiaire inrichtingen te betreden met een drugshond, met als doel de lokalen aan te wijzen waar mogelijk drugs aanwezig is, alsook de gedetineerden aan te wijzen die mogelijk drugs op zich dragen.
Aldus geldt het artikel 108 van de basiswet onverkort en kunnen de vaststellingen van de drugshonden dienen als “individuele aanwijzingen” in de zin van dit artikel, op grond waarvan uitsluitend de directie de beslissing tot fouillering op het lichaam neemt.
Het beroep op preventie -en detectiesystemen is op zich een maatregel die wordt genomen door de directie, in functie van de controlemaatregelen die de directie ook zelf neemt om de veiligheid binnen de penitentiaire inrichting te waarborgen.
Anders dan het inrichtingshoofd in haar beroepschrift aanvoert, werd door de klachtencommissie daarenboven niet zonder meer getoetst of de politie bij de uitvoering van haar opdracht is gebleven binnen de grenzen van haar bevoegdheid. Hoogstens werd -naar analogie met de principe uitspraak van de beroepscommissie- getoetst of de politie in casu een specifieke bevoegdheidsgrond heeft, die de principiële bevoegdheid van de directeur intra muros zou uitsluiten. Desgevallend zou de directeur niet kunnen worden verweten verzuimd te hebben om een beslissing te nemen.
Uit het bovenstaande volgt echter dat de door klager geformuleerde klacht echter wel degelijk betrekking heeft op een beslissing die door of namens de directeur ten aanzien van hem had moeten worden genomen in de zin van artikel 148 tweede lid van de basiswet.
De loutere uitvoering van de handelingen door de politie in de plaats van het penitentiair personeel wijzigt niets aan de bevoegdheid van de directie om te beslissen dat de betrokkene een dergelijke fouillering moet ondergaan. Een schriftelijke gemotiveerde beslissing die afdoende motiveert dat er sprake is van individuele aanwijzingen dat het onderzoek aan de kledij niet volstaat om na te gaan of de gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn, bleef evenwel achterwege.
Het beroep is ongegrond.
Het beroep is gericht tegen de beslissing van de klachtencommissie , in de mate dat de klacht met betrekking tot de fouillering op het lichaam ontvankelijk werd verklaard.
Naar aanleiding van een politieactie met drugshonden in de gevangenis van Beveren, werd klager door de betrokken (Federale) politieagenten onderworpen aan een fouillering op het lichaam.
Op grond van artikel 28 §3 WPA kunnen politieambtenaren overgaan tot een fouillering op het lichaam voorafgaand aan het opsluiten in een cel, waaronder wordt verstaan een kamer die (extra muros) wordt gebruikt om de betrokkene vast te houden, in het kader van een gerechtelijke of bestuurlijke aanhouding.
Deze zgn. ‘insluitingsfouillering’ vindt evenwel geen toepassing meer van zodra de betrokkene is overgebracht naar gevangenis of penitentiaire instelling, “omdat de betrokkene in dat geval overgedragen wordt aan de penitentiaire ambtenaren en voor hen een afzonderlijke regeling geldt”.
Vanaf dan geldt de bijzondere wettelijke regeling inzake fouillering in de strafinrichtingen door penitentiair bewakingspersoneel (artikel 108 van de basiswet), op grond van een administratieve beslissing door de directeur van de betrokken gevangenis.
Er blijkt geen bijkomende wettelijke grondslag voorhanden voor het uitvoeren van een fouillering op het lichaam door de politie in de gevangenis, wanneer diens drugshond wordt ingezet om de drugs op te sporen en de gedetineerde aan te wijzen.
Een specifieke wettelijke basis voor de politie in het bedoelde geval is afwezig, terwijl de fouillering op het lichaam een aantasting van de lichamelijke integriteit van de gedetineerde inhoudt en een inmenging in de uitoefening van het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op bescherming van het privéleven, slechts geoorloofd is als dit bij wet is voorzien.
Het Samenwerkingsakkoord waar het inrichtingshoofd naar verwijst, levert hoogstens de grond voor de politie om de penitentiaire inrichtingen te betreden met een drugshond, met als doel de lokalen aan te wijzen waar mogelijk drugs aanwezig is, alsook de gedetineerden aan te wijzen die mogelijk drugs op zich dragen.
Aldus geldt het artikel 108 van de basiswet onverkort en kunnen de vaststellingen van de drugshonden dienen als “individuele aanwijzingen” in de zin van dit artikel, op grond waarvan uitsluitend de directie de beslissing tot fouillering op het lichaam neemt.
Het beroep op preventie -en detectiesystemen is op zich een maatregel die wordt genomen door de directie, in functie van de controlemaatregelen die de directie ook zelf neemt om de veiligheid binnen de penitentiaire inrichting te waarborgen.
Anders dan het inrichtingshoofd in haar beroepschrift aanvoert, werd door de klachtencommissie daarenboven niet zonder meer getoetst of de politie bij de uitvoering van haar opdracht is gebleven binnen de grenzen van haar bevoegdheid. Hoogstens werd -naar analogie met de principe uitspraak van de beroepscommissie- getoetst of de politie in casu een specifieke bevoegdheidsgrond heeft, die de principiële bevoegdheid van de directeur intra muros zou uitsluiten. Desgevallend zou de directeur niet kunnen worden verweten verzuimd te hebben om een beslissing te nemen.
Uit het bovenstaande volgt echter dat de door klager geformuleerde klacht echter wel degelijk betrekking heeft op een beslissing die door of namens de directeur ten aanzien van hem had moeten worden genomen in de zin van artikel 148 tweede lid van de basiswet.
De loutere uitvoering van de handelingen door de politie in de plaats van het penitentiair personeel wijzigt niets aan de bevoegdheid van de directie om te beslissen dat de betrokkene een dergelijke fouillering moet ondergaan. Een schriftelijke gemotiveerde beslissing die afdoende motiveert dat er sprake is van individuele aanwijzingen dat het onderzoek aan de kledij niet volstaat om na te gaan of de gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn, bleef evenwel achterwege.
Het beroep is ongegrond.