Ga verder naar de inhoud

BC/24-0410

Ongegrond Beroepscommissie Beroepscommissie Tucht
TUCHT - RECHT VAN VERDEDIGING

Artikel 144, § 4, van de basiswet bepaalt dat de gedetineerde het recht heeft zich tijdens de tuchtprocedure door een advocaat te laten bijstaan. Het recht van de gedetineerde om zich door een advocaat te laten bijstaan, is een essentieel aspect van het recht van verdediging. Rekening houdend met het belang van het recht van verdediging en van de bijstand door een advocaat moet de directie, wanneer een gedetineerde om de bijstand van een advocaat vraagt, de nodige zorgvuldigheid aan de dag leggen om de gedetineerde daadwerkelijk van deze bijstand door een advocaat te voorzien.
Uit de stukken blijkt dat de directie het nodige heeft gedaan om ervoor te zorgen dat tijdens de tuchtzitting een pro-Deoadvocaat in de inrichting aanwezig was. Alleen door ervoor te zorgen dat een pro-Deoadvocaat beschikbaar was, zonder zich ervan te vergewissen of deze beschikbare pro-Deoadvocaat ook werkelijk bijstand kon leveren, kwam de directie nog niet tegemoet aan klagers recht op verdediging. Het blijkt immers niet dat de klager met kennis van zaken besliste dat hij niet wenste gehoord te worden of afzag van de bijstand door een advocaat: (1) de zogenaamde verklaring niet te willen worden gehoord, staat haaks op de eerdere verklaring dat de klager wenste door een pro-Deoadvocaat te worden bijgestaan; (2) het document ‘verklaring niet te willen gehoord’ werd niet door de klager zelf ingevuld, noch ondertekend en de omstandigheden waarin de klager voor de zitting werd opgeroepen, maar niettemin zou hebben geweigerd zich naar de hoorzitting te begeven, werden niet toegelicht en (3) uit het zeer gebrekkige Engels op het klachtenformulier kan zonder twijfel worden afgeleid dat er sprake was van een aanzienlijke taalbarrière zodat niet vaststaat dat de klager de draagwijdte van de voorgelegde documenten kon begrijpen.
In het bijzonder blijkt uit geen enkel gegeven dat een pro-Deoadvocaat werkelijk in de gelegenheid werd gesteld de gewenste bijstand aan de klager te leveren. Het blijkt niet dat deze advocaat ervan op de hoogte werd gesteld dat zij werd verondersteld bijstand aan de klager te leveren. Het staat niet vast dat de klager ervan op de hoogte werd gesteld dat hij werkelijk door een advocaat zou worden bijgestaan. Het blijkt evenmin dat deze advocaat in de mogelijkheid werd gesteld het tuchtdossier met de klager te bespreken en hem te informeren over het belang van de tuchtrechtelijke hoorzitting, noch dat de advocaat de kans kreeg om namens de klager te vragen dat de tuchtrechtelijke hoorzitting werd uitgesteld opdat hij of zij het dossier met de klager kon bespreken.
De loutere afwezigheid van de klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting kon niet verantwoorden dat ook aan de principiële bijstand van de klager door een pro-Deoadvocaat die via de permanentiedienst beschikbaar was, kon worden voorbijgegaan.
De tuchtbeslissing kwam bijgevolg tot stand met schending van klagers recht van verdediging.