Ga verder naar de inhoud

BC/25-0040

Gegrond Beroepscommissie Beroepscommissie Andere beslissing directeur
ONTVANKELIJKHEID - TERMIJN - CELTOEWIJZING - PASSIEF ROKEN

De beslissing tot plaatsing van een gedetineerde in een bepaalde cel, die door of namens de directie wordt genomen, kan het voorwerp uitmaken van een ontvankelijk beklag. Om ontvankelijk te zijn, moet het beklag in de regel worden ingesteld binnen de zeven dagen nadat de gedetineerde kennis heeft gekregen van de beslissing waarover hij zich wenst te beklagen. De beroepscommissie sluit niet uit dat ook ontvankelijk beklag kan worden ingesteld in het geval waarin een gedetineerde, na langere tijd als niet-roker op cel bij een rokende gedetineerde te hebben verbleven, de directie vraagt hem een andere cel toe te wijzen omdat hij niet langer op cel met een roker wil verblijven en de directie aan die vraag geen gevolg geeft. Niettemin brengt de principiële termijn van zeven dagen waarbinnen een klacht moet worden ingediend, mee dat de duur van het verblijf van de niet-rokende gedetineerde in een cel met een rokende gedetineerde niet doorslaggevend kan zijn voor de beoordeling van de wettigheid en redelijkheid van de beslissing tot toewijzing van de cel op het ogenblik van die toewijzing. De duur van het verblijf in de cel met een rokende medegedetineerde kan alleen van belang zijn wanneer de wettigheid en redelijkheid van de beslissing tot behoud van de betrokkene in de cel met een rokende medegedetineerde na verloop van een bepaalde tijd - of anders gezegd het verzuim om het verblijf van de betrokkene in de cel met een rokende medegedetineerde te beëindigen – moet worden getoetst.

Bij de beoordeling van de gegrondheid van de klacht gaat de beroepscommissie na of de beslissing waarover wordt geklaagd, in strijd is met een in de gevangenis geldend wettelijk voorschrift of met een bindende bepaling van een in België geldend verdrag, dan wel bij afweging van alle in aanmerking komende belangen onredelijk of onbillijk moet worden geacht. Handelingen van de directie als penitentiair bestuur kunnen aan de Grondwet worden getoetst (artikel 159 Grondwet). Voorts zijn de bepalingen van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) bindende bepalingen van een in België geldend verdrag. Artikel 23 van de Grondwet waarborgt het recht een menswaardig leven te leiden. Dit recht omvat het recht op bescherming van de gezondheid. Artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 EVRM waarborgen het recht op eerbiediging van het privéleven. Het begrip "privéleven" is een ruim begrip dat de fysieke en psychische integriteit van een persoon omvat. Het impliceert de vrijheid om keuzes te maken over het eigen lichaam en de eigen gezondheid.
Overeenkomstig artikel 6 van de Basiswet wordt de gedetineerde aan geen andere beperkingen van zijn politieke, burgerlijke, sociale, economische of culturele rechten onderworpen dan deze die uit de strafrechtelijke veroordeling of uit de vrijheidsbenemende maatregel voortvloeien, deze die onlosmakelijk met de vrijheidsbeneming verbonden zijn en deze die door of krachtens de wet worden bepaald. Zo ook vloeit uit het EVRM voort dat gedetineerden hun rechten en vrijheden die het verdrag waarborgt, behouden (met uitzondering van het recht op vrijheid voor zover de vrijheidsberoving in overeenstemming is met artikel 5 EVRM). Elke beperking van die rechten moet worden verantwoord, al kan die beperking steunen op overwegingen van veiligheid, met name de voorkoming van strafbare feiten of de handhaving van de orde, die onvermijdelijk voortvloeien uit de detentieomstandigheden (EHRM, Hirst t. Verenigd Koninkrijk (nr. 2), 6 oktober 2005, nr. 74025/01, § 69).
De gezondheidsrisico’s van passief tabaksgebruik staan vast. Ook niet-rokers die onvrijwillig tabaksrook inademen, lopen gezondheidsrisico’s. Niet-rokers kunnen last hebben van onmiddellijke effecten zoals hoesten, hoofdpijn, oogirritatie – zoals de klager ondervond – en ademhalingsproblemen. Passief tabaksgebruik kan ook vele andere chronische problemen meebrengen. Net als rokers kunnen aan tabaksrook blootgestelde personen kanker, aandoeningen van de luchtwegen, hart- en vaatziekten of andere gezondheidsproblemen krijgen.
De onvrijwillige blootstelling aan tabaksrook is in een gevangeniscel bovendien heel intens doordat gedetineerden – op kortere onderbrekingen na tijdens de wandeling en eventueel tijdens het bezoek of de werktijd – dag en nacht doorbrengen in één enkele zeer beperkte ruimte waarin geen of nauwelijks ventilatie beschikbaar is en via één enkel raam buitenlucht slechts heel beperkt toegankelijk is. In deze omstandigheden is er niet alleen een zeer aanzienlijke rechtstreekse blootstelling aan tabaksrook (‘tweedehands rook’), maar ook aan de schadelijke stoffen van tabaksrook die neerslaan in de beperkte ruimte van de gevangeniscel op oppervlakten, het meubilair en het beddengoed (‘derdehands rook’).
Gedwongen blootstelling van een niet-rokende gedetineerde aan tabaksrook schaadt zijn gezondheid. De gedwongen blootstelling aan tabaksrook schendt zijn recht op bescherming van gezondheid en zijn recht op eerbiediging van zijn privéleven doordat hem de keuze wordt ontnomen zijn verblijf door te brengen in een rookvrije verblijfsruimte. Het gedwongen verblijf in een rokerige verblijfsomgeving kan niet worden verantwoord door legitieme, inherent aan detentie verbonden overwegingen van veiligheid. De uitzonderingsbepaling waarin artikel 8, tweede lid, EVRM voorziet, kan bijgevolg geen inperking van het recht op eerbiediging van het privéleven verantwoorden.
Ook al lijkt de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over onvrijwillige blootstelling van gedetineerden aan tabaksrook tot nu toe veeleer terughoudend , staat het voor de beroepscommissie vast dat de beslissing tot toewijzing aan een niet-rokende gedetineerde van een cel waarin hij samen met een rokende gedetineerde moet verblijven, strijdig is met zijn grondrecht op bescherming van de gezondheid en de eerbiediging van het privéleven. De vraag onder welke begeleidende omstandigheden en vanaf welk ogenblik het verblijf van een niet-rokende gedetineerde in een cel met een rokende gedetineerde in strijd is met het in artikel 3 EVRM bepaalde verbod op onmenselijke of vernederende behandelingen, behoeft voor de toetsing van de beslissing tot toewijzing van een cel dan ook geen antwoord.
Bij deze toetsing van de rechtmatigheid van de beslissing tot toewijzing van de cel, staat de zorgvuldigheid van de directie niet ter discussie. De beroepscommissie twijfelt er niet aan dat de directie een beleid voert dat erop gericht is niet-rokers een rookvrije cel toe te wijzen en dat alleen omstandigheden onafhankelijk van de wil van de directie, met name de hoge graad van overbevolking, ertoe hebben geleid dat de klager toch in een cel met een rokende gedetineerde werd geplaatst.
De onmogelijkheid voor de directie om de klager in een rookvrije cel te plaatsen, doet evenwel geen afbreuk aan de vaststelling van de objectieve onrechtmatigheid van deze plaatsing wegens schending van artikel 23 Grondwet en artikel 8 EVRM.
De klacht is dan ook gegrond.