KC02/24-0334
Ongegrond
KC - Antwerpen
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
CEL - GEZONDHEID - ART.3 EVRM
De klacht betreft plaatsing van klager op een cel met een roker, beslist door de directie van de gevangenis van Antwerpen.
Artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (“EVRM”) verbiedt onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (“EHRM”) oordeelde in dat kader dat een staat verplicht is maatregelen te nemen om een gedetineerde te beschermen tegen de schadelijke effecten van passief roken wanneer medische onderzoeken of doktersadviezen aanwijzen dat dit noodzakelijk is vanuit gezondheidsoverwegingen. Indien onvoldoende maatregelen worden genomen, kan dit een schending van artikel 3 EVRM uitmaken.
Dit hangt o.a. af van de duur van het verblijf op cel met een roker. Het klachtenbureau van de gevangenis van Antwerpen stelde de klachtencommissie in kennis van het feit dat klager op de cel in kwestie verbleef sinds 21/1/2024, i.e. 4 dagen sinds het indienen van zijn klacht. In een gelijkaardige beslissing verklaarde KC Gent een beslissing tot plaatsing van een niet-roker met een roker op cel onwettig, maar in desbetreffende zaak verbleef klager in totaal 11 maanden op de cel (met een roker).
De klachtencommissie meent dat vier dagen te kort is om te kunnen spreken van een strijdigheid met artikel 3 EVRM. Daarnaast houdt de klachtencommissie ook rekening met de psychische toestand van klager, die zwak is zoals de directie aangeeft. Tegelijkertijd zorgt zijn psychische toestand er ook voor dat hij niet op de gewone afdeling kan worden geplaatst, met een andere (niet-rokende) celgenoot. Bovenstaande elementen in beschouwing genomen acht de klachtencommissie de klacht ongegrond.
De klacht betreft plaatsing van klager op een cel met een roker, beslist door de directie van de gevangenis van Antwerpen.
Artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (“EVRM”) verbiedt onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (“EHRM”) oordeelde in dat kader dat een staat verplicht is maatregelen te nemen om een gedetineerde te beschermen tegen de schadelijke effecten van passief roken wanneer medische onderzoeken of doktersadviezen aanwijzen dat dit noodzakelijk is vanuit gezondheidsoverwegingen. Indien onvoldoende maatregelen worden genomen, kan dit een schending van artikel 3 EVRM uitmaken.
Dit hangt o.a. af van de duur van het verblijf op cel met een roker. Het klachtenbureau van de gevangenis van Antwerpen stelde de klachtencommissie in kennis van het feit dat klager op de cel in kwestie verbleef sinds 21/1/2024, i.e. 4 dagen sinds het indienen van zijn klacht. In een gelijkaardige beslissing verklaarde KC Gent een beslissing tot plaatsing van een niet-roker met een roker op cel onwettig, maar in desbetreffende zaak verbleef klager in totaal 11 maanden op de cel (met een roker).
De klachtencommissie meent dat vier dagen te kort is om te kunnen spreken van een strijdigheid met artikel 3 EVRM. Daarnaast houdt de klachtencommissie ook rekening met de psychische toestand van klager, die zwak is zoals de directie aangeeft. Tegelijkertijd zorgt zijn psychische toestand er ook voor dat hij niet op de gewone afdeling kan worden geplaatst, met een andere (niet-rokende) celgenoot. Bovenstaande elementen in beschouwing genomen acht de klachtencommissie de klacht ongegrond.