TUCHT
Het inrichtingshoofd heeft beroep ingediend tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij de klacht van klager tegen een tuchtbeslissing gegrond werd verklaard. Klager had een specifiek personeelslid meerdere keren en op verschillende dagen nagefloten, niettegenstaande de beambte duidelijk had aangegeven dat zij dit onrespectvol vond. De klachtencommissie oordeelde dat het fluiten naar een beambte niet als een ‘opzettelijke’ aantasting van de psychische integriteit kon worden beschouwd. De beroepscommissie ziet dit anders. Fluiten naar iemand kan, in bepaalde omstandigheden, wel degelijk een opzettelijke daad zijn waardoor de psychische integriteit van een persoon wordt aangetast (‘nafluiten’). Uit het RAD blijkt dat: klager telkens én meerdere keren floot naar het personeelslid dat het RAD heeft opgesteld indien zij toezicht hield op de wandeling; het personeelslid klager hierop al eens had aangesproken; klager ook hierna naar het personeelslid bleef fluiten; klager ook op de dag van het RAD floot naar de beambte; de beambte dit negeerde, waarop zij door klager werd beledigd. Dat de directie de in het RAD vermelde gedragingen van klager dus heeft gekwalificeerd als een opzettelijke aantasting van de psychische integriteit, valt binnen haar discretionaire bevoegdheid. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
Het inrichtingshoofd heeft beroep ingediend tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij de klacht van klager tegen een tuchtbeslissing gegrond werd verklaard. Klager had een specifiek personeelslid meerdere keren en op verschillende dagen nagefloten, niettegenstaande de beambte duidelijk had aangegeven dat zij dit onrespectvol vond. De klachtencommissie oordeelde dat het fluiten naar een beambte niet als een ‘opzettelijke’ aantasting van de psychische integriteit kon worden beschouwd. De beroepscommissie ziet dit anders. Fluiten naar iemand kan, in bepaalde omstandigheden, wel degelijk een opzettelijke daad zijn waardoor de psychische integriteit van een persoon wordt aangetast (‘nafluiten’). Uit het RAD blijkt dat: klager telkens én meerdere keren floot naar het personeelslid dat het RAD heeft opgesteld indien zij toezicht hield op de wandeling; het personeelslid klager hierop al eens had aangesproken; klager ook hierna naar het personeelslid bleef fluiten; klager ook op de dag van het RAD floot naar de beambte; de beambte dit negeerde, waarop zij door klager werd beledigd. Dat de directie de in het RAD vermelde gedragingen van klager dus heeft gekwalificeerd als een opzettelijke aantasting van de psychische integriteit, valt binnen haar discretionaire bevoegdheid. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.