Ga verder naar de inhoud

BC/25-0185

Ongegrond Beroepscommissie Beroepscommissie Voorlopige maatregel Tucht
VOORLOPIGE MAATREGEL – TUCHT

Klager heeft beroep ingediend tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij enerzijds zijn klacht tegen een voorlopige maatregel ongegrond werd verklaard en anderzijds zijn klacht tegen de daaropvolgende tuchtsanctie eveneens ongegrond werd verklaard. Klager was betrokken bij het ontvreemden van een juweel van een medegedetineerde op de wandeling.

Wat betreft de voorlopige maatregel, volgt de beroepscommissie de drie argumenten van klager niet. Ten eerste blijkt uit de stukken duidelijk dat het wel degelijk de directie is die de maatregel heeft genomen (zoals wordt vereist). Dat de directeur de beslissing niet zelf heeft ondertekend, aangezien hij zich op dat moment niet in de gevangenis bevond, doet hieraan niets af. Ten tweede bevestigt de beroepscommissie dat een directeur evengoed mondeling kan beslissen om een voorlopige maatregel op te leggen. Er is geen (wettelijke) vereiste om een gemotiveerde beslissing tot voorlopige maatregel op schrift te stellen vooraleer of op hetzelfde ogenblik dat de maatregel in werking treedt. Ten derde blijkt uit het RAD dat klager betrokken leek te zijn bij de ontvreemding van een juweel van een medegedetineerde. Een kompaan trok de pet over het gezicht van het slachtoffer, waardoor klager het juweel kon ontvreemden. Dat de directeur van oordeel was dat er sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid en hij klager daarom onder een voorlopige maatregel plaatste, valt binnen zijn discretionaire bevoegdheid. Het beroep is op dit vlak niet gegrond.

Ook wat betreft de tuchtbeslissing volgt de beroepscommissie klager niet. De beroepscommissie bevestigt de beslissing van de klachtencommissie, die oordeelde dat de directie een wettige, redelijke en billijke beslissing had genomen. In het RAD worden inderdaad duidelijk de feiten beschreven, alsook het eigen aandeel van klager in deze feiten. De camerabeelden van de feiten werden op de tuchtzitting aan klager en zijn advocaat getoond. Ook hierna bleef klager zijn betrokkenheid bij de feiten ontkennen. Zijn stelling dat er geen bewijs voorhanden zou zijn voor de tuchtfeiten is echter allerminst overtuigend. Het beroep is ook op dit vlak niet gegrond.