Ga verder naar de inhoud

BC/25-0212

Ongegrond Beroepscommissie Beroepscommissie
ORDEMAATREGEL - ONTSLAG - RECHTEN VAN VERDEDIGING - OVERMACHT

De alleenzetelend klachtenrechter verklaarde de klacht inzake het ontslag kennelijk gegrond en vernietigde de ordemaatregel, in essentie omdat de directie naliet het het administratief dossier over te maken, ondanks uitdrukkelijk en herhaaldelijk verzoek.

Dit betreft de thans bestreden uitspraak.

Het inrichtingshoofd vorderde de schorsing van de uitspraak, doch dit verzoek werd verworpen, in essentie omdat de ordemaatregel prima facie terecht werd vernietigd en ‘het inrichtingshoofd de schorsingsprocedure bezwaarlijk kan aangrijpen om na de uitspraak alsnog haar verweer en administratief dossier over te maken, terwijl de klachtencommissie op het eerste gezicht een redelijke termijn gaf om dit te regulariseren’.

De beroepscommissie is van oordeel dat haar prima facie oordeel uit de tussenbeslissing overeind blijft ten gronde: de klachtencommissie vernietigde de ordemaatregel terecht onder verwijzing naar de rechtspraak van de Raad van State, dat de afwezigheid van een administratief dossier wordt gelijkgesteld met de afwezigheid van deugdelijke motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund.

In haar beroepschrift geeft het inrichtingshoofd verder geen enkele verklaring waarom zij desgevallend door overmacht of onoverkomelijke dwaling het administratief dossier niet tijdig aan de klachtencommissie overmaakte.

Indien de beroepscommissie zonder meer zou aanvaarden dat de directie haar verweer met administratief dossier pas in beroep overmaakt, zou dit aanleiding kunnen geven tot een ongewenste praktijk waarbij aan de klager een aanleg wordt ontnomen om zich te verdedigen in het licht van het neergelegde dossier.

Klager stelt zich in haar verweer voor de beroepscommissie terecht vragen bij deze gang van zaken. Er is dan ook geen reden om thans in te gaan op het verzoek van klager om gehoord te worden of extra standpunt in te nemen omtrent het neergelegde dossier.

Er is volgens de beroepscommissie in casu evenmin een reden om het dossier desgevallend terug te zenden naar de klachtencommissie om in het licht van het administratief dossier (aldus opnieuw in eerste aanleg) te oordelen.

Het inrichtingshoofd hekelt met name in het bijzonder de ‘volgende tegemoetkomingen’ die de klachtencommissie zou hebben voorzien en wijst er op dat zij ‘als inrichting geen mogelijkheden (hebben) om een financiële vergoeding uit te betalen’, terwijl de beroepscommissie niet anders kan dan vaststellen dat dergelijke compensatie weliswaar werden gevraagd door klager, doch niet werden toegekend door de klachtencommissie.

Tot slot liet de uitspraak van de klachtencommissie, ondanks de principiële vernietiging, aan de directie een zekere ruimte om klager toch niet onmiddelijk in zijn functie te herstellen (“of, indien dit niet mogelijk is omdat andere gedetineerden hierdoor benadeeld zouden worden, klager bovenaan de wachtlijst voor de desbetreffende functie moet worden geplaatst.”)

Het beroep van het inrichtingshoofd is dan ook ongegrond.