KC05/23-0143
Gegrond
KC - Brugge
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
REGIMEMUTATIE
De klacht gaat over de beslissing tot verwijdering van klager van de drugvrije afdeling (DVA). De verwijdering van de DVA zou het gevolg zijn van een incident tijdens de wandeling waarbij er geduw en getrek werd vastgesteld tussen klager en een andere gedetineerde. In haar verweer betwist de directie de ontvankelijkheid van de klacht. De beslissing tot verwijdering van de DVA zou volgens haar geen individuele directiebeslissing zijn, maar het loutere gevolg van een contractbreuk. De directie stelde verder nog dat de beslissing tot verwijdering van de DVA een teambeslissing betreft en geen individueel gemotiveerde directiebeslissing. De klachtencommissie bevestigt in dit dossier nogmaals dat de beslissing tot verwijdering van een gedetineerde van de DVA wel degelijk een beslissing is die door de directeur wordt genomen. De beslissing om een gedetineerde van een bepaald regime naar een ander regime over te plaatsen, is een inherent individuele beslissing die een welbepaalde gedetineerde (be)treft. Zelfs al maakt en gebruikt de directie hiervoor bepaalde algemenere richtlijnen, zoals een clausule uit een contract, impliceert dit niet dat hierdoor geen beslissing meer zou worden genomen en het toezicht van de klachtencommissie wordt vermeden. Zelfs al wordt een beslissing, zoals de beslissing tot verwijdering van de DVA ‘mee’ genomen door andere personeelsleden, dan nog wordt dergelijke beslissing minstens (mee) door en in ieder geval (ook) namens de directie genomen. De interne overplaatsing van een gedetineerde van de DVA naar een andere afdeling blijft bijgevolg onmiskenbaar een beslissing die wordt genomen door – minstens namens – de directie ten aanzien van een individuele gedetineerde. De klacht is ontvankelijk.
De klachtencommissie stelt vast dat het door klager ondertekende DVA-contract niet werd teruggevonden. Zodoende heeft zij geen zicht op welke clausule in dat contract de aanleiding zou gevormd hebben tot de verwijdering van klager van de DVA. De verwijdering van klager van de DVA werd gebaseerd op het gebruik van fysiek geweld, zonder dat voor de klachtencommissie de context gekend is waarin dit geweld zou hebben plaatsgevonden. De directie verschafte geen duidelijkheid over de vragen of er al dan niet een tuchtzitting werd gehouden en of – en in voorkomend geval op welke manier – klager werd gehoord over de feiten die de aanleiding hebben gevormd voor zijn verwijdering van de DVA. Op welk ogenblik en in welk kader klager zou hebben toegegeven dat hij fysiek geweld had gebruikt en of hij hierbij verder nog nadere verduidelijking of bepaalde argumenten heeft gegeven, is ten slotte evenmin duidelijk. Gelet op al deze onduidelijkheden, kan de klachtencommissie niet anders dan vaststellen dat de verwijdering van de DVA op een onredelijke en onbillijke wijze tot stand is gekomen. Deze klacht is gegrond.
De klacht gaat over de beslissing tot verwijdering van klager van de drugvrije afdeling (DVA). De verwijdering van de DVA zou het gevolg zijn van een incident tijdens de wandeling waarbij er geduw en getrek werd vastgesteld tussen klager en een andere gedetineerde. In haar verweer betwist de directie de ontvankelijkheid van de klacht. De beslissing tot verwijdering van de DVA zou volgens haar geen individuele directiebeslissing zijn, maar het loutere gevolg van een contractbreuk. De directie stelde verder nog dat de beslissing tot verwijdering van de DVA een teambeslissing betreft en geen individueel gemotiveerde directiebeslissing. De klachtencommissie bevestigt in dit dossier nogmaals dat de beslissing tot verwijdering van een gedetineerde van de DVA wel degelijk een beslissing is die door de directeur wordt genomen. De beslissing om een gedetineerde van een bepaald regime naar een ander regime over te plaatsen, is een inherent individuele beslissing die een welbepaalde gedetineerde (be)treft. Zelfs al maakt en gebruikt de directie hiervoor bepaalde algemenere richtlijnen, zoals een clausule uit een contract, impliceert dit niet dat hierdoor geen beslissing meer zou worden genomen en het toezicht van de klachtencommissie wordt vermeden. Zelfs al wordt een beslissing, zoals de beslissing tot verwijdering van de DVA ‘mee’ genomen door andere personeelsleden, dan nog wordt dergelijke beslissing minstens (mee) door en in ieder geval (ook) namens de directie genomen. De interne overplaatsing van een gedetineerde van de DVA naar een andere afdeling blijft bijgevolg onmiskenbaar een beslissing die wordt genomen door – minstens namens – de directie ten aanzien van een individuele gedetineerde. De klacht is ontvankelijk.
De klachtencommissie stelt vast dat het door klager ondertekende DVA-contract niet werd teruggevonden. Zodoende heeft zij geen zicht op welke clausule in dat contract de aanleiding zou gevormd hebben tot de verwijdering van klager van de DVA. De verwijdering van klager van de DVA werd gebaseerd op het gebruik van fysiek geweld, zonder dat voor de klachtencommissie de context gekend is waarin dit geweld zou hebben plaatsgevonden. De directie verschafte geen duidelijkheid over de vragen of er al dan niet een tuchtzitting werd gehouden en of – en in voorkomend geval op welke manier – klager werd gehoord over de feiten die de aanleiding hebben gevormd voor zijn verwijdering van de DVA. Op welk ogenblik en in welk kader klager zou hebben toegegeven dat hij fysiek geweld had gebruikt en of hij hierbij verder nog nadere verduidelijking of bepaalde argumenten heeft gegeven, is ten slotte evenmin duidelijk. Gelet op al deze onduidelijkheden, kan de klachtencommissie niet anders dan vaststellen dat de verwijdering van de DVA op een onredelijke en onbillijke wijze tot stand is gekomen. Deze klacht is gegrond.