KC09/24-0104
Gegrond
Onontvankelijk
KC - Gent
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
Geen beslissing directeur
Individueel bijzonder veiligheidsregime
GEEN BESLISSING DIRECTEUR - BEVOEGDHEID - BEVEILIGDE CEL - STRAFCEL - HYGIËNE - DWANG - ART. 3 EVRM
De klachten gaan over:
1) Het opstarten van een individueel bijzonder veiligheidsregime (“IBVR”) ten aanzien van klager;
2) Het gegeven dat klager op 3 maart 2024 door een interventieteam in een beveiligde cel werd geplaatst en sindsdien in een beveiligde cel verblijft;
3) De overplaatsing van klager op 3 april 2024 van een strafcel op vleugel D op de 1e verdieping naar een strafcel op de 2e verdieping in de vrouwenafdeling waarin geen toilet aanwezig was, waardoor klager zijn behoeften in een plastic emmer moest doen en zijn eten moest opeten in een vuile en stinkende strafcel.
Klacht 1 (over het opstarten van een individueel bijzonder veiligheidsregime (“IBVR”) ten aanzien van klager) is niet-ontvankelijk:
De plaatsing onder een IBVR is geen beslissing van de gevangenisdirectie, maar van de Directeur-Generaal van de penitentiaire administratie. De klachtencommissie kan zich daarom niet uitspreken over de klacht over het opstarten van een IBVR. Een gedetineerde kan tegen een beslissing over een IBVR wel beroep aantekenen bij de beroepscommissie. Deze klacht is daarom niet-ontvankelijk.
Klacht 2 (over het verblijf van klager in een beveiligde cel na de plaatsing door een interventieteam op 3 maart 2024) is niet-ontvankelijk:
Klager diende over exact hetzelfde onderwerp reeds een klacht in bij de klachtencommissie, gekend onder het dossier met referte KC09/24-0074.
De klachtencommissie verwijst naar haar beslissing van 12 september 2024, waarbij zij de klacht van klager ontvankelijk en gegrond verklaarde en waarbij zij de volgende beslissingen van de directie vernietigde: de bijzondere veiligheidsmaatregel van 4 maart 2024 en de daarbij horende fouillering op het lichaam en plaatsing van klager in een beveiligde cel door een interventieteam, met dwang.
De klachtencommissie heeft zich met andere woorden reeds ten gronde uitgesproken over het voorwerp van de klacht en kan dit niet opnieuw doen.
Onderhavige klacht, die een identiek voorwerp heeft als de reeds behandelde klacht, is daarom niet-ontvankelijk.
Klacht 3 (over de overplaatsing van klager op 3 april 2024 van een strafcel op vleugel D op de 1e verdieping naar een strafcel op de 2e verdieping in de vrouwenafdeling waarin geen toilet aanwezig was, waardoor klager zijn behoeften in een plastic emmer moest doen en zijn eten moest opeten in een vuile en stinkende strafcel) is ontvankelijk en gegrond:
De directeur-generaal liet in haar beslissing de keuze van de cel waarin klager diende te verblijven tijdens het IBVR, echter aan de lokale gevangenisdirectie over. Zo staat te lezen in de beslissing tot
IBVR (eigen markering van de klachtencommissie): “Verblijf in een beveiligde cel aangeduid door de directie, tenzij de directie meent dat een verblijf in een monocel mogelijk is, gelet op de verbetering van de psychische toestand en het gedrag van betrokkene.” De lokale directie van de gevangenis van Gent kreeg in het kader van het IBVR dus niet alleen een beslissingsbevoegdheid van DG EPI, zij nam ook in de praktijk wel degelijk een beslissing om klager op 3 april 2024 van de ene beveiligde cel naar een andere beveiligde cel over te plaatsen. De klacht van klager heeft met andere woorden duidelijk betrekking op een beslissing van de directie van de gevangenis van Gent die ten aanzien van hem werd genomen en werd daarnaast ook tijdig ingediend en gemotiveerd. De klacht is ontvankelijk.
Vooreerst mag niemand worden onderworpen aan onmenselijke of vernederende behandelingen (artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens). Daarnaast bepaalt de nationale regelgeving dat de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel wordt ten uitvoer gelegd in psychosociale, fysieke en materiële omstandigheden die de waardigheid van de mens eerbiedigen, die het behoud of de groei van het zelfrespect van de gedetineerde mogelijk maken en die hem aanspreken op zijn individuele en sociale verantwoordelijkheid (artikel 5, §1 Basiswet).
In de Basiswet wordt daarnaast bepaald dat de voorwaarden waaraan een verblijfsruimte van een gedetineerde moet voldoen, door de Koning zullen worden vastgelegd. In het Koninklijk Besluit van
3 februari 2019 worden enkele minimumnormen vastgelegd. Hoewel het KB de gevangenissen nog de tijd geeft om zich aan te passen aan deze bepalingen, wil de klachtencommissie opmerken dat
wordt bepaald dat een strafcel uitgerust moet zijn met een toilet en een lavabo. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (“EHRM”) oordeelde reeds dat de toegang tot goed uitgeruste en hygiënische sanitaire voorzieningen van het grootste belang is voor het behoud van het gevoel van persoonlijke waardigheid van gedetineerden. Een echte humane omgeving is volgens het EHRM dan ook niet mogelijk zonder een gemakkelijke toegang tot toiletten.
Op grond van al het bovenstaande is de klachtencommissie van oordeel dat de overplaatsing van klager van een beveiligde cel mét toilet, naar een andere beveiligde cel, die in de gevangenis van
Gent eveneens wordt gebruikt als strafcel, zonder aanwezigheid van een toilet, waardoor klager zijn behoeften diende te doen in een emmer, in strijd is met de aangehaalde nationale en Europese reglementering. Klager had geen toegang tot een toilet in de ruimte waarin hij verbleef. Uit de door klager geschetste omstandigheden, die door de directie niet worden ontkend, blijkt dat hij zijn
behoeften diende te doen in een emmer en voor de lediging van deze emmer volledig afhankelijk was van het personeel. De klachtencommissie acht deze omstandigheden in strijd met de menselijke
waardigheid van klager. Gelet klager geen tegemoetkoming vraagt, beperkt de klachtencommissie zich tot de vaststelling dat de klacht gegrond is.
De klachten gaan over:
1) Het opstarten van een individueel bijzonder veiligheidsregime (“IBVR”) ten aanzien van klager;
2) Het gegeven dat klager op 3 maart 2024 door een interventieteam in een beveiligde cel werd geplaatst en sindsdien in een beveiligde cel verblijft;
3) De overplaatsing van klager op 3 april 2024 van een strafcel op vleugel D op de 1e verdieping naar een strafcel op de 2e verdieping in de vrouwenafdeling waarin geen toilet aanwezig was, waardoor klager zijn behoeften in een plastic emmer moest doen en zijn eten moest opeten in een vuile en stinkende strafcel.
Klacht 1 (over het opstarten van een individueel bijzonder veiligheidsregime (“IBVR”) ten aanzien van klager) is niet-ontvankelijk:
De plaatsing onder een IBVR is geen beslissing van de gevangenisdirectie, maar van de Directeur-Generaal van de penitentiaire administratie. De klachtencommissie kan zich daarom niet uitspreken over de klacht over het opstarten van een IBVR. Een gedetineerde kan tegen een beslissing over een IBVR wel beroep aantekenen bij de beroepscommissie. Deze klacht is daarom niet-ontvankelijk.
Klacht 2 (over het verblijf van klager in een beveiligde cel na de plaatsing door een interventieteam op 3 maart 2024) is niet-ontvankelijk:
Klager diende over exact hetzelfde onderwerp reeds een klacht in bij de klachtencommissie, gekend onder het dossier met referte KC09/24-0074.
De klachtencommissie verwijst naar haar beslissing van 12 september 2024, waarbij zij de klacht van klager ontvankelijk en gegrond verklaarde en waarbij zij de volgende beslissingen van de directie vernietigde: de bijzondere veiligheidsmaatregel van 4 maart 2024 en de daarbij horende fouillering op het lichaam en plaatsing van klager in een beveiligde cel door een interventieteam, met dwang.
De klachtencommissie heeft zich met andere woorden reeds ten gronde uitgesproken over het voorwerp van de klacht en kan dit niet opnieuw doen.
Onderhavige klacht, die een identiek voorwerp heeft als de reeds behandelde klacht, is daarom niet-ontvankelijk.
Klacht 3 (over de overplaatsing van klager op 3 april 2024 van een strafcel op vleugel D op de 1e verdieping naar een strafcel op de 2e verdieping in de vrouwenafdeling waarin geen toilet aanwezig was, waardoor klager zijn behoeften in een plastic emmer moest doen en zijn eten moest opeten in een vuile en stinkende strafcel) is ontvankelijk en gegrond:
De directeur-generaal liet in haar beslissing de keuze van de cel waarin klager diende te verblijven tijdens het IBVR, echter aan de lokale gevangenisdirectie over. Zo staat te lezen in de beslissing tot
IBVR (eigen markering van de klachtencommissie): “Verblijf in een beveiligde cel aangeduid door de directie, tenzij de directie meent dat een verblijf in een monocel mogelijk is, gelet op de verbetering van de psychische toestand en het gedrag van betrokkene.” De lokale directie van de gevangenis van Gent kreeg in het kader van het IBVR dus niet alleen een beslissingsbevoegdheid van DG EPI, zij nam ook in de praktijk wel degelijk een beslissing om klager op 3 april 2024 van de ene beveiligde cel naar een andere beveiligde cel over te plaatsen. De klacht van klager heeft met andere woorden duidelijk betrekking op een beslissing van de directie van de gevangenis van Gent die ten aanzien van hem werd genomen en werd daarnaast ook tijdig ingediend en gemotiveerd. De klacht is ontvankelijk.
Vooreerst mag niemand worden onderworpen aan onmenselijke of vernederende behandelingen (artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens). Daarnaast bepaalt de nationale regelgeving dat de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel wordt ten uitvoer gelegd in psychosociale, fysieke en materiële omstandigheden die de waardigheid van de mens eerbiedigen, die het behoud of de groei van het zelfrespect van de gedetineerde mogelijk maken en die hem aanspreken op zijn individuele en sociale verantwoordelijkheid (artikel 5, §1 Basiswet).
In de Basiswet wordt daarnaast bepaald dat de voorwaarden waaraan een verblijfsruimte van een gedetineerde moet voldoen, door de Koning zullen worden vastgelegd. In het Koninklijk Besluit van
3 februari 2019 worden enkele minimumnormen vastgelegd. Hoewel het KB de gevangenissen nog de tijd geeft om zich aan te passen aan deze bepalingen, wil de klachtencommissie opmerken dat
wordt bepaald dat een strafcel uitgerust moet zijn met een toilet en een lavabo. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (“EHRM”) oordeelde reeds dat de toegang tot goed uitgeruste en hygiënische sanitaire voorzieningen van het grootste belang is voor het behoud van het gevoel van persoonlijke waardigheid van gedetineerden. Een echte humane omgeving is volgens het EHRM dan ook niet mogelijk zonder een gemakkelijke toegang tot toiletten.
Op grond van al het bovenstaande is de klachtencommissie van oordeel dat de overplaatsing van klager van een beveiligde cel mét toilet, naar een andere beveiligde cel, die in de gevangenis van
Gent eveneens wordt gebruikt als strafcel, zonder aanwezigheid van een toilet, waardoor klager zijn behoeften diende te doen in een emmer, in strijd is met de aangehaalde nationale en Europese reglementering. Klager had geen toegang tot een toilet in de ruimte waarin hij verbleef. Uit de door klager geschetste omstandigheden, die door de directie niet worden ontkend, blijkt dat hij zijn
behoeften diende te doen in een emmer en voor de lediging van deze emmer volledig afhankelijk was van het personeel. De klachtencommissie acht deze omstandigheden in strijd met de menselijke
waardigheid van klager. Gelet klager geen tegemoetkoming vraagt, beperkt de klachtencommissie zich tot de vaststelling dat de klacht gegrond is.